Three Feathers

Home
Up
James Wolfe 2

 

James Wolfe in Canada I

 
Het leger van James Wolfe in Canada
In de dagen van het Britse Rijk, was de Zevenjarige Oorlog een mijlpunt in de geschiedenislessen op school. Het "Jaar van de mirakels" in 1759, toen Horace Walpole slechts half spottend schreef: "Je kan je niet veroorloven ook maar één krant over te slaan in de angst dat je ergens een Britse overwinning zou missen", het was niet enkel een zaak van eer, maar ook van grote interesse. Alleen in Amerika, ondanks de ongeëvenaarde luister van Francis Parkman's geschriften over deze periode, werd de "Frans Indiaanse Oorlog", zoals de Zevenjarige Oorlog daar altijd werd genoemd, liever verwaarloosd. Het was een campagne tijdens de "koloniale dagen" in de gedachten van de latere Amerikaan wiens leven begon in 1770. En alleen in de staten waar de gevechten plaatsvonden was het, en wordt het, dikwijls herinnerd.
Het verhaal van Wolfe in Quebec is nog steeds een zaak van toegewijde interesse ver buiten Canada. De Canadezen voelen de effecten nog tot op heden, en de Amerikanen hebben alle redenen om het te herinneren, omdat door het winnen van die slag, de Britten, Amerika verloren. De betovering die rond Wolfe en zijn leger hangt is verstaanbaar, en een aanzienlijk deel van deze beschrijving wordt aan zijn campagne gewijd; maar het was enkel een deel van een buitengewoon verhaal over de Frans Indiaanse Oorlog, een klassiek voorbeeld van vroeg geknoei dat niet met moed kon worden rechtgezet, gevolgd door geïnspireerd leiderschap van de veel misbruikte maar luisterrijke figuur dat de Britse Redcoat was. Veel provincialen droegen ook bij tot de overwinning ondanks inter-koloniaal gekibbel en jaloezie en natuurlijke wrok tegenover de arrogantie van, te veel, Britse officieren en ambtenaren. Ze leerden lessen die snel terugkaatsten naar het vaderland. De deelnemerslijst van deze verscheurende, dikwijls verschrikkelijke oorlog, waarvan het grootste gedeelte werd uitgevochten in de bossen, die er voor de Redcoats als een wildernis vol tijgers moet hebben uitgezien, was een indrukwekkende: er was de zoon van Washington; Sir William Johnson, de landhongerige rijkenstichter die oprecht geliefd en vertrouwd werd door de Indianen; er was Lord Howe, de onvergelijkbare jonge officier wiens dood te Ticonderoga niet meer was dan een nationale tragedie; er was de onfortuinlijke Braddock; Rogers en zijn Rangers; de boosaardige Townsend; de verschrikkelijke Abercrombie; en boven alles de heroïsche tweelingbroers van het grote drama, Montcalm en Wolfe. En altijd was er de Redcoat, de centrale figuur in deze beschrijving. De hoofdmoot van deze tekst is de geschiedenis van de oorlog vanuit een militair oogpunt. Niemand die de Redcoat heeft bestudeerd kan zijn opgewektheid uitleggen, zijn eigen antwoord op goede bevelvoering, zijn moed als de dingen, zoals zo dikwijls, verkeerd gingen, zijn schandelijk gedrag zo nu en dan, en zijn regelrechte moed. Het begrip van overheersing kan terecht bekritiseerd worden, zelfs aangevallen, en verdedigers moeten hun fouten zowel als hun vele deugden erkennen. Maar diegenen die de Redcoats aanvielen waren te beklagen omdat ze niet konden beantwoorden aan de moed die ze nodig hadden in de gevechten, en natuurlijk hun moed tegenover hun vijanden.
 

Plan van de belangrijkste steden

 
Het oneindige conflict
"Een salvo van de jachtgeweren van enkele woudlopers, geleid door George Washington een jongeling uit Virginia", zo omschreef Francis Parkman de duistere actie in 1754 die de Franse en Indiaanse Oorlog bespoedigde en in de woorden van Horace Walpole, "zette de wereld in vuur". De vader van zijn land begon geschiedenis te maken toen hij 22 jaar oud was en luitenant kolonel van de militie.
Zo begon de strijd die Winston Churchill de "eerste wereld oorlog" noemde. Tot hiertoe was er in de 18e eeuw maar weinig vrede geweest in Noord Amerika. De oorlog was een deel van het schijnbaar oneindige conflict tussen Frankrijk en Brittanië om over het lot van een continent te beslissen.
Er waren al twee officiële Brits Franse oorlogen geweest, de tweede eindigde in 1748. De verdragsmakers keerden terug naar het land dat de verovering was van de ander. Madras, de commercieel hoopvolle stad van de Britten, en Louisbourg voor de Fransen, tot de rechtmatige woede van de New Englanders die het grote fort op Cape Breton eiland met de hulp van de zeemacht hadden ingenomen in 1745.
De vrede die in Amerika volgde was helemaal geen vrede. De sterk in de minderheid zijnde Fransen, er waren er ongeveer 55.000 tegen de 1.500.000 Britse kolonisten, waren de leidende kracht in Noord Amerika, alhoewel hun positie op los zand stond. De meeste Indianen gaven de voorkeur aan de Franse Canadezen, die weinig te lijden hadden van de rassenvooroordelen van de Anglo Amerikanen; ze waren handelaars, ontdekkingsreizigers, avonturiers en alleen aan de oevers van de St. Lawrence kolonisten. Alleen de Vijf Naties van de Irokese Confederatie (Zes Naties vanaf 1715 toen de Tuscarora stam werd toegestaan de Mohawk, Oneida, Onondaga, Cayuga en Seneca te vervoegen) richtten zich naar de Britse zijde of bleven neutraal. Niet langer de macht die ze eens waren, leefden deze trotse, onstuimige vooruitstrevende stammen in wat nu het centrale deel van de staat New York is, maar heersten over een veel groter gebied. Gelukkig had handelaar en agent, William Johnson, die later Sir William de grootste grondbezitter van Noord Amerika werd, veel invloed bij hen en zeker bij de Mohawks. Hij had de mannen graag en hield van de vrouwen: zijn laatste vrouw was de lieftallige Molly Brant, zuster van de grote Joseph Brant, het Mohawk oorlogsopperhoofd voor wie een buitengewone loopbaan, zowel in oorlog als in vredestijd, in de toekomst was weggelegd. In 1748 had de pelshandel al veel te veel Indianen afhankelijk gemaakt van de goederen van de blanken, alles van sieraden tot bewapening, konden de Britten veel gemakkelijker voorleggen dan de Fransen. Loyaliteit voor New France was geforceerd, maar twee factoren speelden de Fransen in de hand. Alhoewel Quebec, hun hoofdstad, door een priester bestuurd werd en de pelshandel rot was van de corruptie, waren de Franse Canadezen betere soldaten dan hun rivalen, zij hadden het vechten in de bossen geleerd van hun bondgenoten de Indianen; meer kenmerkend, bij gebrek aan eendracht wilden de Engelse kolonisten land.
De Indianen hebben nooit de drang naar landbezit kunnen verstaan. Voor de Indianen was de aarde heilig, een moeder, niet iets om te verkwanselen of te bezitten. Er kan op gejaagd worden, op gevochten of er kan zelfs op geboerd worden door de vrouwen, maar bezit in de zin van de blanke, nooit!
De Indiaanse strijd tegen de bleekgezichten was totaal. Terreur was een instrument van de politiek. De bleekgezichten brachten de oorlog zelf over zich door herhaalde misverstanden en bedrog, en wraak oogstte wraak tot de barbaarsheid aan beide zijden niet meer te beheersen was. De Redcoats bevonden zich in een nachtmerrieachtige wereld waar de Europese discipline geen vat op had, tot aan de Quebec campagne, die niet meer zo veel verschilde van de Europese stijl van oorlogvoering.
In 1747 werd de Ohio Land Company opgericht om de vruchtbare grond van de Ohio vallei open te stellen. In 1749 kreeg de Company haar eerste land toegewezen: 400.000 hectare aan de beide zijden van de Ohio en zond hun eerste verkenners over de bergen het volgende jaar. Spoedig hadden gedode Britse kolonisten aarde in hun mond, omdat de Indianen wisten naar wat de Ohio Company en de onafhankelijke onderzoekers op zoek waren.
Ondertussen, in 1749, was een Frans Indiaanse groep onderweg naar de Ohio vallei om ze op te eisen voor Frankrijk, ze nagelden optimistisch nota's aan de bomen en begroeven gegraveerde platen om hun claim kracht bij te zetten. De Ohio Company richtte een basis op in Wills Creek, nu Cumberland, Maryland. Er werden paden westwaarts getrokken naar de Monongahela rivier om gepast land te vinden voor nederzettingen. De Franse invloed onder de Indianen verspreidde zich snel, en het strijdtoneel om te beslissen van wie nu de ganse Ohio vallei wel was, werd stilaan opgericht.
In 1753 stuurde de nieuwe gouverneur van Canada, markies Duquesne, 4.000 man naar het zuiden om forten te bouwen. Fort Presqu'île werd opgetrokken aan het Erie meer en Fort le Boeuf daaronder en de Britse post in Venango werd ingenomen, en Franse garnizoenen werden achtergelaten in elk van hen.
De gealarmeerde gouverneur van Virginia, Robert Dinwiddie, stuurde een waarschuwing naar Legardeur de St. Pierre, de bevelhebber van Fort le Boeuf (nadat de vorige bevelhebber gestorven was aan buikloop), dat hem informeerde dat hij zich op Virginia bodem bevond. Het was geen verrassing dat St. Pierre het er niet mee eens was, en dus stuurde Dinwiddie zijn majoor George Washington, 21 jaar oud, groter dan 1,80 m en hongerig naar land en een echte commissie, om hem te spreken. Zijn kleine escorte werd onderweg vergezeld door een bevriende Seneca, "Half King" en een gedeelte van zijn stam. St. Pierre ontving Washington beleefd, weigerde te bewegen, en echter zonder succes probeerde hij de Seneca te verleiden. De Seneca stonden in de omgeving, verwarrend genoeg, bekend als de Mingoe. Washington keerde terug en bracht verslag uit bij de gouverneur, met de aansporing dat er een fort moest gebouwd worden aan de tweesprong van de Ohio.
Na een beetje tegenstribbelen, haalde Dinwiddie een beetje geld uit zijn voorraad, en in april 1754 begon het werk aan het fort. Plotseling doken zo'n 500 Fransmannen op uit het bos en de Britten gaven zich over en werden naar huis gezonden. De winnaars gingen verder met het afwerken van Fort Duquesne, een beroemde plaats, later werd het Fort Pitt en tenslotte Fort Pittsburg.
Dit is oorlog! zo dachten de Virginia mannen toch, zelfs toen de naburige kolonies hun typisch gemis aan interesse vertoonden. Washington, nu luitenant kolonel en 22, kreeg het bevel over een 300 man sterke groep en ontmoette Half King aan Great Meadows, die hem vertelde dat er Fransen en Indianen in de omtrek waren. Op 28 mei pakten de Amerikanen de Fransen bij verrassing, verwondden enkele mannen, doodden hun leider de Jumonville en namen 21 gevangenen. De oorlog was begonnen.
Washington kwam te weten dat er 500 Fransmannen op weg waren om de Jumonville te ontmoeten en trok zich terug naar Great Meadows, waar hij het gezelschap kreeg van twee onafhankelijke compagnies, geleid door kapitein McKay, een geregelde die hoger in rang was dan kolonel Washington, een gewone vrijwilliger. Deze situatie was maar al te gewoon doorheen de ganse oorlog en niet naar de zin van de jonge man uit Virginia. Washington hoopte nog steeds om door te stoten tot Duquesne, maar nu het hem tot de oren gekomen was dat de Fransen dichtbij waren, trok hij zijn uitgeputte, uitgehongerde mannen opnieuw terug naar Great Meadows en bouwden er Fort Necessity, gevaarlijk ver van fris water en blootgesteld aan vuur vanuit beboste hellingen.
Het vuur kwam in de nacht van 2 juli, gestuurd door Coulon de Villiers, de broer van de Jumonville. In zware regenval vochten de Britten moedig gedurende negen uur, weigerden een overgave, maar uiteindelijk, toen een kwart van het verscheurde, zieke garnizoen van zo'n 400 gedood of gewond waren, gaven ze toch op. Het was een wrede slag voor de ambitieuze jonge Washington. Niettemin marcheerden de Britten weg met militaire krijgseer, een paar "swivel guns" (= een kanon met meerdere roterende lopen) en militaire bagage achterlatend. Twee gewichtige dingen gebeurden. Een tolk gebruikte zijn job om Washington onbewust te laten tekenen dat hij de moordenaar was van de Jumonville, een excellent propaganda wapen voor de Fransen; en een Schot Robert Stobo genaamd werd gekozen als een van de gijzelaars om daar te blijven. Hij bewees later goede diensten, eerst in Fort Duquesne en later in Quebec. Maar het onmiddellijke effect van het verlies was een onverdunde ramp. De Indianen geloofden terecht dat de Fransen meester waren van de situatie, terwijl de Villiers terugkerende naar Fort Duquesne er voor gezorgd heeft, zoals Parkman het schreef, "dat er geen Engelse vlag meer wapperde achter Allegheny".

Binnenzicht van een barak, rechts is de gezamenlijke slaapbank voor 30 man

 
Onheil
Toen het nieuws van de vernedering van Washington Europa bereikte, waren de Britse en Franse officials in Parijs nog steeds aan het discuteren over de vorige oorlog. De Franse numerieke zwakte in Noord Amerika in 1754 kon opwegen tegen de totale ongereedheid van de Britten om een groot gevecht aan een front uit te vechten, in die periode. Niet dat iets zo roekeloos als een oorlogsverklaring werd uitgesproken. Ondanks de ontoereikendheid van de incompetente Eerste Minister, de hertog van Newcastle, werd een poging ondernomen om de gewapende diensten te verbeteren. Het was hoog tijd. De zeemacht had 200 overtollige schepen, velen ervan in slechte staat en het leger was gezakt naar 20.000 man. Maar in juli voor het nieuws over Fort Necessity Europa had bereikt, werden geld en wapens over de Atlantic gestuurd, en laat in september, als het ergste bekend was, werden de 44e en 48e Foot opgedragen van Cork naar Noord Amerika te zeilen. Elk bataljon was ongeveer 350 man sterk met bijbehorende afdelingen van variabele kwaliteit, wat hen elk tot 500 man bracht, en er werd gehoopt dat er later Amerikanen konden gerekruteerd worden.
Het bevel was in handen van een 45 jaar oude Coldstream guard, majoor generaal Edward Braddock, een stugge maar in geen geval een onmenselijk soldaat die niets wist over de Amerikaanse toestand, maar hij realiseerde zich wel dat hij zich een weg moest banen door onbekend gebied. Hij zei dat hij en zijn mannen als schapen naar de slachtbank werden gestuurd.
Braddock bereikte Hampton Roads, Virginia in februari 1755, ondertussen stonden 3.000 Franse geregelden met baron von Dieskau, die briljant gediend had onder maarschalk Saxe, onder Canadees bevel. De provincialen verwelkomden Braddock uitbundig. Nu konden de Redcoats het gevecht voor hen doen! Braddock nodigde tactvol de snelgeraakte jonge Washington uit om te dienen als zijn aide-de-camp, hetwelk de frustratie van de man uit Virginia een beetje temperde over het feit dat hij lager in rang was dan de Britse geregelden, maar er waren bevelen van Londen binnengekomen die bevestigden dat deze offensieve regel nog steeds van toepassing was. Met enkele uitzonderingen, verachtten de Britse officieren de provincialen en een gevaarlijke onderlinge antipathie ontsproot van in het prille begin.
Het moet benadrukt worden dat de Britten enkele redenen hadden om de Amerikanen in het algemeen te verachten. Pennsylvania weigerde om religieuze redenen vechtende troepen te bevoorraden, zelfs niet de verst afgelegen kolonisten van de Quaker kolonie die dringend bescherming nodig hadden. Braddock kreeg alleen toereikende hulp van Virginia, en de pogingen om zijn expeditie behoorlijk bevoorraad en reisvaardig te krijgen was een zware nachtmerrie. Plaatselijke rekrutering kreeg de 44e en 48e amper op volle sterkte.
Op 14 april waren Britse officieren en koloniale gouverneurs het eens over een serie van plannen. Ten eerste, moesten de Fransen verwijderd worden van de tweesprong van de Ohio rivier en uit Fort Duquesne nabij Braddock. Ondertussen, was de bewonderenswaardige Shirley, gouverneur van Massachusetts, op weg naar Oswego, dan Fort Niagara aanvallen, en William Johnson, nu Zijne Majesteit's Commissaris van Indiaanse Zaken, moest de Hudson op en Crown Point innemen met New England vrijwilligers en sommige van zijn vurige Irokese vrienden. Ten slotte moest brigadier Robert Monckton afrekenen met de Fransen in Acadia met de hulp van de zeemacht.
Dit stoutmoedige plan, dat over kolossale uitgestrektheden van wildernis en van elkaar afgesneden krijgsmachten handelde, was niet zo slecht zoals sommige volgende gebeurtenissen het zullen laten uitschijnen. Tegenover de Britten stonden echter 3.000 Franse geregelden, 15.000 militie, 2.000 koloniale geregelden van de zeemacht en een onbekend aantal Indianen.
Braddock had wel een beetje geluk. De gijzelaar die in Fort Necessity werd genomen: Robert Stobo, smokkelde een plan van Fort Duquesne buiten. Toen zijn daad werd ontdekt redde het feit dat de twee naties nog niet officieel met elkaar in oorlog waren hem van de executie, en werd hij naar Quebec gestuurd, waar hij nog bruikbaarder zou zijn.
In mei bereikte Braddock de handelspost in Wills Creek, waar hij zijn hoofdkwartier maakte in het nabije Fort Cumberland. Verlaten door aannemers en verzwakt door ziekte werden de troepen sterk vertraagd. Ze waren gedeeld in twee brigades. Luitenant kolonel Sir Peter Halkett leidde zijn 44e Foot, nu zo'n 700 man sterk; er waren 230 Rangers van Virginia, New York en Maryland en 50 timmermannen. Ondertussen commandeerde kolonel Thomas Dunbar het 48e, nu 650 man sterk, 230 Rangers van Virginia en de twee Carolina's, en 35 timmermannen. Er waren vier twaalfponders, zes zesponders, vier achtinch houwitsers en 15 mortieren. Beide brigades hadden ook een onafhankelijke compagnie uit New York. Terwijl hij moest helpen met de inscheping en het kuiperwerk, was luitenant Charles Spendlowe van de HMS Norwich met een landingsgroep verbonden met de artilleristen.
De dingen in Wills Creek gingen van kwaad naar erger. Braddock wou 150 vierspannen en menners, en als het niet aan Benjamin Franklin, de postmeester van Pennsylvania had gelegen, "bijna de enigste instelling met bekwaamheid en eerlijkheid die ik in de provincies heb gekend", had hij er met moeite ééntje bemachtigd. Zoals het was, werden zo'n 1.500 werkpaarden opgetrommeld, velen werden prompt gestolen bij de plaatselijke bevolking, en wagens werden "gevonden" dankzij Franklin. Braddock nam zijn toevlucht tot meedogenloze discipline om zijn greep te behouden op de slechter wordende situatie, maar de vele lasteraars waren geen mannen uit Pennsylvania, die bezagen wat hij bereikt had vóór de instorting als merkwaardig.
Dit is deels te wijten aan de weg die hij en zijn mannen maakten van een Indiaans pad, aangepast voor zowel kannonnen als wagens. Meestal was de afstand die per dag gemarcheerd kon worden een 6 tal kilometer per dag, en de moraal werd niet beter door de verminderde rantsoenen. Op dit moment was een hinderlaag onwaarschijnlijk omdat verkenners vooruit en op de flanken werden geposteerd, terwijl een houthakker de weg vrijmaakte die meer dan 3,60 meter breed moest zijn. Het was een verbazende prestatie.
De expeditie bereikte Little Meadows, de vooruitgeschoven wacht arriveerde op 25 juni. Hoewel zwervers opgepikt werden door Franse en Indiaanse verkenners, was er tot dan geen teken van een grote Franse krijgsmacht. Maar Braddock had gehoord over 500 Fransen die op pad waren om Fort Duquesne te versterken. Op een oorlogsraad werd Washington om advies gevraagd. Acterend volgens dit advies, besloot Braddock op te rukken met 1.200 mannen, en liet Dunbar achter met de zware bagage, de wagens en het vrouwenvolk. Een vooruitgeschoven wacht geleid door luitenant kolonel Thomas Gage, het was zijn krijgsmacht die de Monongahela overstak op 9 juli op een tiental kilometer van Fort Duquesne.
In het fort waren zo'n 1.000 Fransen en Indianen onder Contrecoeur aanwezig. De nieuwe gouverneur generaal van Canada, de markies de Vaudreuil, kon niet meer troepen in Duquesne plaatsen door druk elders. Het was eerst op de 8e dat de Fransen gehoord hadden van Braddock's intenties, en Contrecoeur besloot hem in een hinderlaag te lokken bij de Monongahela, en koos hiervoor een groep van 250 Fransen en 650 Indianen onder kapitein Lienard de Beaujeu.
De Britten werden verplicht twee maal de rivier over te steken om een smalle doorgang te vermijden en raakten betrokken in een klein handgemeen met een 30 tal Indianen die op de vlucht gingen. Nu waren ze in meer open gebied terechtgekomen, eerder bos dan dicht woud. De kapel speelde en de Redcoats en provincialen stapten uit, met Braddock en zijn mannen volgend van kort bij, de vooruitgeschoven wacht in twee kolommen. Grenadiers aan de flanken, de Virginians in de achterhoede en vee en werkpaarden tussen de kolommen. De zon scheen op dit leger van verdoemden, waarvan de manschappen er rotsvast van overtuigd waren dat de Fransen reeds gevlucht waren.
Beaujeu wachtte hen op, en hij had de grootste moeite om zijn Indianen te overtuigen te blijven. Zoals hen werden hij en zijn mannen ontkleed en geschilderd. Braddock's mannen marcheerden voort. Plots verscheen Beaujeu, draaide zich en wuifde met zijn hoed naar de mannen achter hem. Hij werd praktisch ineens gedood toen op de plaats van de hinderlaag een verschrikkelijke oorlogskreet weergalmde, een bloedstollend moment voor elke Europeaan die dit voor het eerst hoorde. De Redcoats wielden van colonnes naar lijnen terwijl de kogels tussen hen scheurden vanuit de bomen. De Franse Canadezen namen de benen, en alleen een vlugge actie van kapitein Dumas en Charles Langlade die de Indianen leidde, weerhield hen ervan de Fransen te volgen. Doch ondanks de desoriëntatie in de rangen van de vijand, waren de Britten gedoemd. Ze konden hun vijand niet zien, hun hele training was vreemd aan deze situatie en, toen de provincialen verstandig dekking zochten, werden de Redcoats zo nerveus dat ze per vergissing op hen schoten.
De officieren op hun paarden werden er al snel uitgepikt door de Indiaanse scherpschutters en hun mannen zaten zonder controle. Braddock arriveerde met Washington; Braddock deed zijn best met vloeken en het plat van zijn zwaard om de orde terug te herstellen. Vijf paarden werden onder de generaal weggeschoten toen de chaos totaal werd. Zijn mannen werden opgesplitst in zwaarmoedige groepen, volledig zonder doel, uitgenomen de Virginians. De weinige Britten die trachtten beschutting te zoeken, een Indiaanse gewoonte, vergrootten de woede van hun bevelhebbers.
Met 63 van de 86 gedode of gewonde officieren, viel Braddock tenslotte zelf, geschoten door de arm en een long. Hij had juist het bevel gegeven voor een terugtocht, er was reeds een paniekerige vlucht op gang gekomen. De Indianen, zoals gebruikelijk, waren te zeer bezig met plunderen om de vijand te achtervolgen: de buit die ze namen bevatte Braddock's kist met de plannen voor de operaties in het noorden en het westen.
Washington werd niet gewond. Hij was het die het nieuws van het onheil naar Dunbar bracht en later de herdenkingsrede over Braddock's lichaam voorlas toen zijn overste vier dagen na de slag stierf. Hij heeft nooit opgehouden de stugge moedige Coldstream guard te bewonderen.
De Britten hadden een catastrofe over zich gekregen. Afgezien van het grote verlies aan officieren, werden meer dan 914 NCO en soldaten gedood of gewond op een totaal van 1.300. De Fransen hadden "maar" drie gedode en vier gewonde officieren en minder dan tien geregelden en Canadezen en 27 Indianen werden gedood of gewond.
De vluchtende Redcoats kwamen bij hun voorraadwagens in Gist's Plantation, Dunbar had ze daar naartoe gestuurd, maar de paniek duurde voort. In Dunbar's kamp gaf hij het bevel alles te vernietigen: kanonnen, munitie, kruitwagens en hulzen, een schandelijke misrekening zelfs als hen nog een aanval te wachten stond.
Braddock had zijn les tenminste geleerd voor hij stierf. "We zullen volgende keer beter weten hoe we met hen moeten omgaan," zei hij en hij prees zijn Virginians, terwijl hij fluisterde dat hij de aanblik van een Redcoat niet kon verdragen. En, inderdaad, terwijl de paniek van de geregelden verstaanbaar was, had hun reputatie, en die van de Britse soldaat in het algemeen een ferme klap gekregen. Op 13 juli begon de terugtocht naar Fort Cumberland (Braddock stierf tijdens de mars). De triomf van de Fransen en de Indianen was compleet, alhoewel die bijna volledig dient toegeschreven te worden aan de Indianen. Thuis in Engeland gaf een jonge officier, James Wolfe genaamd, dit commentaar: "Onze militaire opleiding is veruit de slechtste in Europa, en al onze belangen worden behandeld met minachting of totale verwaarlozing".
1755 was niet volledig een onheilsjaar voor de Britse krijgsmacht, nochtans, Monckton, bevelhebber over de kleinere expeditie naar Acadia, leidde New Englanders en een paar Redcoats tegen Fort Beauséjour met succes. Het fort, gesitueerd op de vasteland zijde van de landengte die naar Acadia leid, werd ingenomen na een kort beleg, en het kleinere Fort Gaspereau viel zonder slag of stoot. Dan volgde de harde uitdrijving van de Acadians, een gewoon volk dat politieke pionnen waren geworden die nu naar het zuiden gezonden werden, de verbanning en miserie tegemoet.
Gouverneur Shirley die opgehouden werd door transport en voorraadproblemen raakte niet achter zijn basiskamp in Oswego. De vijand, dankzij Braddock's papieren, wist alles over zijn plannen om Fort Niagara aan te vallen. Shirley realiseerde zich dat hij, als hij eerst Frontenac nam, de Fransen zijn terugweg konden afsnijden door Oswego in te palmen achter hem, zo bezigde hij zijn mannen, waaronder restanten van Braddock's mannen, in de versterking van Oswego.
Het enige echte succes, steeg voorbij haar verdienste om de moraal te sterken, was Johnson's campagne tegen Crown Point. Zijn leger was een verdeelde natie van 3.000 kolonisten en 300 Irokezen bestaande uit hun geliefde Mohawks en enkele Oneidas. Nu aangesteld als majoor generaal maar zonder gevechtservaring, deed de charmante Johnson een oorlogsdans met zijn Indianen en ontwapende zelfs de verdachtmakingen van zijn bijbel geïnfecteerde New Englanders, (de meest godvruchtige groep sinds Cromwell), wiens houding de aanwezige New Yorkers en Rhode Island mannen deed verstarren.
Na de gebruikelijke transport problemen, bereikte hij Lac du St. Sacrement, hetwelk hij Lake George doopte, later noemde hij zijn twee kampen naar de kleinkinderen van de koning, Fort Edward en Fort William Henry. Ondertussen, waren de Fransen bezig met het versterken van Crown Point, (alweer door Braddock's papieren) met een aangevochten aantal geregelden, militie en Indianen, misschien 2.500 in totaal, hij trok naar Lake Champlain en bouwde er Fort Ticonderoga.
Misleid door een gevangene die Johnson teruggestuurd had naar zijn basis in Albany, drukte Dieskau door met zijn leger. Daar vernam hij dat de Britten nog in het gebied waren, en Johnson probeerde hem in een hinderlaag te lokken met zijn 500 man, ondanks een waarschuwing van Mohawk opperhoofd Hendrick die zei: "Als ze moeten vechten zijn ze met te weinig, als ze moeten sterven zijn ze met te veel."
De wijze oude Indiaan had gelijk, er werden er 20 gedood, ook Hendrick, en de overlevenden vluchtten in wanorde naar Johnson's kamp aan Lake George.
Een fort was snel geïmproviseerd van boomstammen, boten en karren en de oprukkende Fransen liepen tegen een regen van kogels, een voorloper van dezelfde kogelregens zoals de Britten te Bunker Hill, New Orleans en op andere plaatsen kregen. De Fransen en Indianen braken hun linies en gingen op de loop; Dieskau werd ingenomen en door Johnson gered van de verwoesting als wraak voor Hendrick's dood.
Johnson achtervolgde de vluchtende Fransen niet, wat hem altijd kwalijk werd genomen door de critici, zelfs dat de achtervolging zou kunnen eindigen in een ander Brits onheil. In plaats daarvan verzorgde hij zijn gewonde dij, bouwde Fort William Henry, en dan met zijn uitgeputte, zieke en hongerige mannen trok hij terug naar de Hudson. Hij werd baron gemaakt en kreeg £5.000 van het parlement.
Maar de ware betekenis van Lake George lag in de toekomst. Gewone provincialen hadden de Franse geregelden ervan langs gegeven. Dieskau zei van hen: "In de morgen vochten ze als goede jongens, rond de middag als mannen en in de namiddag als duivels." Drie van de duivels werden majoor generaals tegen de Britten. Lake George was een waarschuwing van de dingen die komen gingen.
 

Fort Ticonderoga

 
Wanbeheer en bloedbad
1755 was voor de Britten een catastrofaal jaar, en de twee volgende jaren toonden geen verbetering. Braddock's verlies leidde tot een herfst van verscheurende terreur aan de grens waar Franse en Indiaanse groepen nederzettingen vernielden en eenzame boerderijen aanvielen, tegelijkertijd vergaderden kolonialen met hun gouverneurs. Ondertussen besloot Dunbar zich terug te trekken in Philadelphia voor de winter.
Washington voerde het bevel over 1.500 man Virginia militie, virtueel de enigste strijdmacht in dienst over een 500 kilometer lange grensstreek in een situatie die niet meer onder controle was. De grotere meerderheid Britten betekende weinig in het gezicht van de combinatie van de kibbelende kolonisten en Franse en Indiaanse troepen. Het Franse vermogen om de Indianen te verstaan begon nu vruchten af te werpen. Het zou december 1755 zijn vooraleer Pennsylvania haar waardige Quaker kluisters afschudde en zich klaar maakte voor de oorlog.
In de winter was er een tijdelijke kalmte terwijl de vijand rustte. Terug in Brittanië, met een oorlogsverklaring niet ver af, waren er weinig tekenen van actie. Er waren slechts 24.000 Redcoats in de Britse vestigingen, en nog een 13.000 toegewezen aan de kolonies. Eén straaltje hoop was de toewijzing van de commissies aan de vreemde protestanten in Amerika, wat leidde tot de oprichting van het Royal American Regiment of Foot, de 60e en later het King's Royal Rifle Corps.
De lente van 1756 zag de gerechtelijke moord op admiraal Byng, die een zondebok was "pour encourager les autres" zoals Voltaire opmerkte. Intussen was Brittanië in Europa op zoek naar bondgenoten, Hanover en Pruisen, de regering stuurde £115.000 naar gouverneur Shirley als hulp voor het oprichten van strijdkrachten in New England voor de verdediging. De oorlog werd officieel verklaard op 18 mei, tegen die datum had een merkwaardig soldaat, de markies de Montcalm, Canada bereikt om de verslagen Dieskau te vervangen. Daar ondervond hij al van bij het begin de vijandigheid van zijn meerdere, Vaudreuil de gouverneur generaal, een koloniaal die geen reden zag voor de import van een Frans geregelde. Hun vijandigheid werkte aanzienlijk in het voordeel van de Britten. Montcalm bracht bekwame ondergeschikten en 1.200 man met zich mee. Terwijl de grote Fransman de schandelijke corrupte staat New France ontdekte werden de Britse Amerikaanse zaken overgedragen aan ongeschikten. De onfortuinlijke Shirley de gouverneur van Massachusetts, een man die Brittanië en zijn kolonies goed diende, werd verplicht vervangen door de graaf van Loudoun, maar eerst stuurde hij enkele minder goede troepen naar Oswego. Meer bruikbaar, wees hij een Louisbourg veteraan aan, majoor John Bradstreet een briljant Amerikaans soldaat met een geregelde commissie, om 2.000 bewapende roeiers te ronselen. Hun eerste wapenfeit was om voorraad naar Oswego te brengen ondanks de Franse en Indiaanse aanvallen.
Midden juli arriveerde Loudoun, kort na zijn zelfs nog onbruikbaardere ondergeschikte, majoor generaal James Abercrombie, en de gelijkwaardige onbenullige kolonel Daniel Webb. Shirley verjaagd door zijn vijanden, ging in ongenade, terwijl, ongelooflijk maar waar, een order Loudoun vergezelde dat bevestigde dat zelfs generaals met provinciale commissies ondergeschikt waren aan gewone geregelde majoors. Beter nieuws was de aankomst van, samen met Loudoun, de 35e en de 42e Foot.
De rest van dit miserabele jaar was een hoofdstuk van rampspoed. Alhoewel Johnson het voor elkaar had gekregen de Irokezen te overtuigen neutraal te blijven kon dit Oswego niet redden en te vallen voor Montcalm. De Fransen namen meer dan 1.600 gevangenen, 6 schepen, 113 kanonnen plus munitie, voorraad en geld en legden het fort het zwijgen op. Ze hadden Braddock zijn kanonnen gebruikt om het fort te vernietigen.
Toen Webb hoorde van het verlies, werd hij nerveus en hechtte geloof aan een gerucht dat Montcalm naar hem op weg was, en vluchtte naar de German Flats aan de Mohawk. Feitelijk was de oorlog uitgeprutteld voor de winter, met de Britten in Fort William Henry stervend van ziekten in een stinkende voorpost tegenover de Fransen in Ticonderoga, door hen Fort Carillon genoemd.
Die winter ging Newcastle, een meester politicus in de slechtste zin van het woord, op pensioen en de hertog van Devonshire nam over. Zo deed, gelukkigerwijs, ook William Pitt. Het Britse personeel werd opgevoerd tot 30.000 man, met 19.000 voor de kolonies, 2.000 genie en artillerie troepen. Vijftien lijnregimenten werden opgedragen om twee bataljons op te richten en Pitt, stoutmoedig, het was immers maar twaalf jaar na de 1745 opstand, richtte twee regimenten Highlanders op, Fraser en Montgomery. Onder andere tekenen van actie werden zeven bataljons naar Noord Amerika gestuurd en nieuwe detachementen voor de regimenten die al ginder waren.
Loudoun zou voor al zijn fouten niet lastig gevallen moeten worden met de provincialen, tot hun grootste egoïsme en bekrompenheid in deze cruciale periode. Inheemse Amerikanen namen de Britse troepen kwalijk dat ze ingekwartierd waren bij hen, maar verwachtten wel van dezelfde troepen voor hen te sterven.
De gebeurtenissen van de 1757 campagne bevatte zowel een teleurstelling als een ramp. De teleurstelling was een slecht gemonteerde aanval op Louisbourg, gekenmerkt door te late monstering van provinciale troepen, latere versterkingen van Brittanië, en het te laat aankomen van Loudoun in Halifax. Tenslotte vond de expeditie het grote fort zwaar bewapend en gesteund door een grote Franse vloot en dus zeilden ze terug naar New York.
De ramp was de val van Fort William Henry, waar luitenant kolonel Monro van het 35e Foot het bevel voerde over 2.000 Redcoats en New Englanders, met zowel matrozen als mecaniciens. De gezondheid en moraal van zijn mannen waren in even slechte staat als zijn 24 kanonnen.
Montcalm had Fort Ticonderoga bereikt in juli met 8.000 man, geregelden, Canadezen en Indianen, trokken verder over land en water om de Britse post te belegeren. Gedurende het zesdaagse beleg bleef de moedeloze Webb, alhoewel hij voorheen een goede staat van dienst had, ter plaatse in Fort Edward met 1.200 man,  een kleine 20 kilometer ver, hij maakte ook geen aanstalten om verschillende duizend manschappen op te roepen ten zuiden van hem, aan de Hudson rivier.
En zo was het dat Monro en zijn door ziekte geplaagde troepen, na het verlies van 300 man, sommigen gedood door de kanonnen van Braddock, de overgave voorwaarden van Montcalm aanvaardden.
De voorwaarden waren eerbaar en bevatten een gewapende escorte naar Fort Edward, maar de Britten maakten de fout de rum niet te vernietigen die de Indianen vonden en dronken met rampzalige gevolgen. De volgende morgen begon de mars, met de Indianen die aansloten en voorspelbaar om meer rum vroegen. Een bloedbad volgde en een betwistbaar aantal, 80 tot 200, mannen, vrouwen en kinderen werden afgeslacht vooraleer de Fransen onder Montcalm de orde konden herstellen. De grote Fransman trof geen schuld. Beide zijden gebruikten Indianen en kenden de gevolgen van drank en bloeddorstigheid. De overlevenden bereikten onder escorte Fort Edward en Webb vroeg dringend meer manschappen, die de Hudson opkwamen. Montcalm door zijn gouverneur generaal verzocht op te rukken, kon het verzoek niet inwilligen door gebrek aan voorzieningen, ook in Canada was een nijpend gebrek aan voedsel, en omdat zijn Indianen op weg waren naar huis met buit en gevangenen, keerde hij terug naar Fort Ticonderoga, zijn grote kans verkeken om Noord Amerika te winnen.
In de winter van 1757 - 1758 was de moraal in de kolonies lager dan ooit, maar toch waren er nog rampen op komst, William Pitt was nu bevelhebber. Zelfs was hij niet op te volgen in het begin, maar iedereen, zelfs de meest bloeddorstige en bekrompen provinciaal, wist nu dat er een titanisch man het bevel had.
Winterkleding

 

1 of 2

 

02/12/2001