Three Feathers

Home
Up
Conquistadores 2
Conquistadores 3
Conquistadores 4

 

De Conquistadores I

 
Spaanse morion helm, vroeg 16e eeuw Spaanse salet helm, laat 15e eeuw
 
De 200 jaren van 1450 tot 1650 worden beschouwd als "De jaren van de Ontdekking", omdat tijdens deze periode Europese ontdekkingsreizigers naar de meeste bewoonbare plaatsen op de aardbol reisden. Deze ontdekkingsreizigers trotseerden niet alleen de natuurkrachten maar lapten ook de voorschriften van de almachtige kerk aan hun laarzen. Ze ontdekten uitgestrekte gebieden waarvan het bestaan niet vermoed werd en brachten de ruwe lijnen van de wereld zoals wij ze nu kennen in kaart. Deze mannen waren echter geen "pure" ontdekkingsreizigers; de meeste waren slechts op zoek om een link te leggen tussen Europa en andere bekende regionen of regionen waarvan aangenomen werd dat ze bestonden en waarvan men dacht dat ze economisch belangrijk waren. Zij waren vooral op zoek naar persoonlijk financieel voordeel en hun ontdekkingen waren toevallige en welkome bonussen.
In de 15e en 16e eeuw werd een immense schat aan geografische kennis opgedaan door toedoen van deze eerder lukrake methode. Het meest verrassende van alle ontdekkingen was dat van de Nieuwe Wereld, een schijnbaar oneindig continent dat tot hiertoe onbekend en onverwacht was. Op 12 oktober 1492 was Columbus op zoek naar een route naar de legendarische rijke markten van China en Japan, door westwaarts te zeilen ontdekte hij de Nieuwe Wereld toen hij het Caraïbische eiland San Salvador in het zicht kreeg. In de volgende tien jaar ontdekte Columbus de meeste van de grote eilanden van West-Indië en eiste ze op voor Spanje. Tegen 1520 waren het grootste deel van die eilanden reeds onderzocht en werden er een aanzienlijk aantal Spaanse kolonies op gevestigd, vooral in Cuba en Hispaniola, het huidige Haïti.
De meeste van deze kolonisten waren ex-soldaten uit de legers die de Moren uit het zuiden van Spanje verdreven hadden, of gediend hadden in de Italiaanse campagnes tegen de Fransen. Ze waren een geharde avontuurlijke en lastige bende, niet in staat om gepast werk te vinden in Europa. Ze vestigden een basis voor Spanje in India enkel om rusteloos te worden in de rol van kolonist eens hun werk als pionier gedaan was. Ongerust om het doffe werk van de administratoren en landbouwers, die onafscheidelijk de ontdekkingsreizigers volgden in deze nieuwe landen van de Spaanse Kroon, begonnen deze mannen nieuwe grenzen over te trekken, nogmaals westwaarts trekkend naar het onbekende. De jaren van de Conquistadores, de veroveraars, waren aangebroken.
Natuurlijk was het meer dan alleen avontuur dat deze mannen aantrok naar de onbekende uitgestrektheid van Amerika. Zoals de vroege zeevaarders routes zochten naar nieuwe markten voor financieel voordeel, zo zochten nu de Conquistadores rijkdom op de enige manier die ze kenden, het veroveren van land. Bernal Diaz, waarschijnlijk de meest eerlijke schrijver over de veroveringen in Amerika, schreef dat hij en zijn compagnons naar India vertrokken "om god en zijne majesteit te dienen, om licht te geven aan hen die in de duisternis waren, en om rijk te worden, iets dat elke mens wenst te doen".
De jaren van de Conquistadores waren oorlogszuchtig en kort, van 1520 tot omstreeks 1550. De Conquistadores ondernamen hun expedities in de uitgebreide landmassa van heel Amerika geheel op hun eigen kosten, doorstonden grote ontberingen en riskeerden hun levens en fortuinen zonder enige hulp van de Spaanse Kroon. Als ze op zichzelf waren aangewezen hadden ze zich waarschijnlijk gevestigd in feodale gemeenschappen, enkel verbale hulde brengend aan de Kroon, en grote rijkdommen vergarend voor zichzelf door het uitbuiten van de Indianen die ze overwonnen hadden. Maar de Spaanse Kroon liet dit niet gebeuren. De enkele Conquistadores die de strijd met de Indianen, ziekten, giftige slangen, honger en dorst en de messen van hun rivalen overleefden, werden snel vervangen door Koninklijke uitverkorenen, advocaten en geestelijken om de interesses van de Spaanse Kroon in de nieuwe landen te verdedigen. Kolonisten en mijnexperts volgden onverbiddelijk en drongen de Conquistadores die overleefden om verder westwaarts te blijven trekken: het moesten de Kroon en de handelaars van Sevillia zijn en niet de Conquistadores die de vruchten plukten van de veroveringen.
De Spaanse oorlogen met Frankrijk begonnen in 1495 en stopten niet voor 1559. Frankrijk was tweemaal zo dik bevolkt als Spanje en was rijker aan grondstoffen; om een leger op de been te kunnen brengen dat Frankrijk zou kunnen weerstaan, moest Spanje beroep doen op duizenden huurlingen. Oorlogen en vooral huurlingen kostten handenvol geld en de Spaanse schatkist moest op de één of andere manier voortdurend bijgevuld worden om de koning in staat te stellen zijn grootse beleid voort te zetten.
In de 16e eeuw betekende geld goud, en goud was een schaars metaal in Europa. Aan het einde van de 15e eeuw was de volledige goudvoorraad van Europa niet groter dan 88 ton; in één gietvorm gegoten zou het een kubusje zijn met zijden van maar 2 m. Er was wel aanzienlijk meer zilver voorradig, zo'n 3.150 ton in geheel Europa, maar zelfs dan was het nog niet toereikend om langdurige oorlogen te financieren, die grote investeringen vereisten voor kanongieterijen, wapensmidfabrieken en kruitmolens evenals paarden, wapens en uitrusting, en de duurste post het loon van de soldaten. Als Spanje in macht wou groeien had het geld nodig. Een deel werd gebruikt voor het Portugese onderzoek van de Afrikaanse kust, een ander deel voor de Oosterse handelsroutes over land en goudplaten werden gesmolten om meer munten te gieten. Maar dit waren onbenulligheden: de grootse plannen van de grote Europese koningen konden niet vervuld worden met het goud dat tussen de nietige middeleeuwse koningen circuleerde. Tijdens de oorlog tussen Spanje en Frankrijk woedde nog een andere oorlog, de oorlog om het goud. En waar was er goud te vinden als het niet in India zat? Dit was de reden voor de interesse van de Spaanse koning in die Nieuwe Wereld en zijn strenge heerschappij erover, via toegewijde officieren van het Spaanse hof.
Er wordt geschat dat Cortes voor een waarde van 7.497.000 Euro in goud van Montezuma heeft genomen. En Pizarro voor 7.000.000 Euro in goud en voor een 800.000 Euro in zilver meegepakt heeft van Atahualpa. Geen enkele Europese koning of bankier heeft ooit zulk een fortuin in de schatkist gehad: hier lag de bron voor het Spaanse oprukken naar grootheid in de 16e eeuw.
In 1560 zou 99 ton goud vanuit de Nieuwe Wereld naar Spanje verscheept zijn en heeft dus de Europese goudvoorraad meer dan verdubbeld. De ontdekking van de Potosi mijnen in 1545 en die van Zacatecas in 1547 resulteerde in een ongeveer dezelfde verdubbeling van de Europese zilvervoorraad in de volgende 40 jaar waarin 6.765 ton zilver de Atlantische Oceaan overstak. Bij deze rijkdommen hoorde ook nog de overvloed aan juwelen van de Azteken, emerald van Bogotá, parels van Venezuela, beverhuiden van New Mexico, kostbaar hout van Guyana en indigo, vanille en cacao van de eilanden. De Conquistadores, de ex-soldaten van Spanje in de Nieuwe Wereld hadden de oorlog om het goud gewonnen en maakten het Spanje mogelijk om een korte maar glansrijke sprong naar de glorie te maken.
 

Een niet gepantserde Spaanse kruisboogschutter

Spaanse cavalerist in zwaar driekwart pantser

Spaanse Conquistador

 
De Veroveraars
De hoog efficiënte legers gecreëerd door Ferdinand V en Isabella voor de reconquista van 1481 tot 1492, die uiteindelijk de Moren verdreven van het Iberische schiereiland, werden gereorganiseerd in de late 15e eeuw in een bestendig leger onder volledige Koninklijke controle. Dit was het leger dat het tegen de Fransen moest opnemen in de Italiaanse oorlog, onder het begeesterende leiderschap van "El Gran Capitán: Gonzalo de Córdoba", hij was de eerste belangrijke Europese soldaat die verstand had van kleine vuurwapens en ze ook efficiënt wist te gebruiken, hij rustte er een infanterie eenheid mee uit, de arquebusiers of kolveniers, later werden het musketiers.
Bij het begin van de oorlog met Frankrijk in 1495, was het bestendige leger van Spanje het enige in Europa dat echt als een geregeld leger kon beschouwd worden, met meer dan 10 jaar aanhoudende oorlogvoering achter de rug. In de volgende 10 jaar, onder Córdoba, heroverde dit leger het koninkrijk Napels, dat uiteindelijk door de Fransen in 1505 werd overgegeven. Tijdens deze periode trainde Córdoba een gedeelte van zijn infanterie in de Zwitserse pike (lange lans) tactiek, en tegen 1505 had hij een leger gesmeed van hoog gedisciplineerde en ervaren lansiers en kolveniers die de voordelen van de beide wapens in onderlinge steun voor elkaar wisten te gebruiken, ze werden ook voor het eerst getraind en georganiseerd op moderne wijze en domineerden de slagvelden van Europa voor de komende 70 jaar.
De Italiaanse Oorlogen werden hervat door Louis XII in 1508 en duurde tot 1514. Francis I hervatte ze opnieuw in 1515 maar de vrede werd het volgende jaar ondertekend en duurde tot 1521. Voor het eerst in 20 jaar waren de Spaanse soldaten werkloos. Vrijwilligers stroomden samen op de nieuw ontdekte Caraïbische eilanden in achtervolging op de enige handel die ze kenden om snel rijk te worden.
Van de soldaten die naar West-Indië gingen en van daaruit Amerika veroverden, waren de meeste avontuurlijke mannen in een avontuurlijke periode: hard, moedig en rusteloos. Maar nog belangrijker waren 20 jaar oorlog van aanhoudende overwinningen tegen alle vijanden en daarvoor nog eens 10 jaar van successen tegen de Islam, hadden deze Spaanse soldaten een onverzetbaar zelfvertrouwen gegeven. Ze waren niet enkel onverslaanbaar, ze wisten ook dat ze onverslaanbaar waren; en wanneer ze in Amerika voor een duizendtal Indianen stonden was hun eerste reactie steeds: oprukken, en met hun cavalerie arrogant chargeren in het gros van de vijand.
Als men het aantal soldaten bekijkt die betrokken waren bij de Amerikaanse veroveringen kan men hun zelfvertrouwen beginnen te appreciëren. Toen Cortes oprukte in het hart van het Azteken rijk en tegenover legers van 40.000 Indianen en meer kwam te staan en ze versloeg, had hij maar 400 man, 15 paarden, 10 zware kanonnen en 4 lichte kanonnen. Toen hij het beleg van Tenochtitlan begon in 1521 had hij 850 Spaanse infanteristen, 86 cavaleristen en 15 kanonnen. Georg Hohermuth had enkel 509 man toen hij vertrok om geheel Venezuela te veroveren in 1535 en toen Pizarro voor het eerst Peru binnenviel had hij 106 infanteristen en 62 cavaleristen.
Je kan deze kleine legers niet vergelijken met de onoverwinnelijke Spaanse legers in Europa. Ondanks hun successen met de musket in de Italiaanse Oorlogen werd er in de Nieuwe Wereld weinig gebruik van gemaakt. Het lange en eerder moeilijk te hanteren musket uit de eerste helft van de 16e eeuw was een praktisch wapen in geordende Europese oorlogen op vlak terrein, maar het had geen voordelen in het klimaat en terrein van Amerika. Er was een steun nodig om het zware einde van de loop op te laten rusten en een vuurtje moest meegedragen worden voor de ontsteking. Het vuurtje zelf moest aangestoken worden met een vuursteen en tondeldoos, aangezien het niet altijd brandende kon gehouden worden werden de kolveniers soms al aangevallen voordat ze hun vuurtje in brand kregen. Vooral in Peru en de Yucatan was de musket praktisch nutteloos in de guerrilla oorlogvoering van de Indianen.
Zo ook de kruisboog met zijn krachtige stalen boog, gebruikt voor grotere afstanden, bezagen de Indianen als een onhandige machine die onderhevig was aan vele mankementen. Het was wel effectief in Europa, de kracht was berekend om door plaatharnas te dringen, maar die kracht was in Amerika niet nodig en de kruisboogschutters werden gehinderd door een traag herlaadsysteem met trekker- of ratelspanners, ze hadden beter uitgerust geweest met een kruisboog met minder vuurkracht en sneller laadsysteem. Natuurlijk doodde een kruisboogpijl elke Indiaan die hij raakte, maar er waren duizenden Indianen en relatief weinig werden er geraakt.
Tijdelijke berekeningen van de verschillende expedities vermeldden doorgaans dat vele musketten en kruisbogen na slechts enkele weken niet langer meer bruikbaar waren, door roest of gebroken boogpezen veroorzaakt door het klimaat. Bij het beleg van Tenochtitlan had de 850 man sterke infanterie van Cortes nog slechts tussen de 120 en 160 kruisboog- en musketschutters.
Er was ook het probleem van de munitiebevoorrading. Voor het beleg van Tenochtitlan had Cortes Spaanse kruisboogpijlen en pijlpunten bezorgd aan zijn Indiaanse bondgenoten in Texcoco met de instructies om 8.000 stuks van elk te produceren. Binnen de acht dagen leverden de Indianen 50.000 pijlschachten en eenzelfde aantal koperen pijlpunten af en de Indiaanse pijlpunten bleken van betere kwaliteit te zijn dan de Spaanse! Die werden onder de kruisboogschutters verdeeld met de instructies ze te polieren en in te vetten. Een ander belangrijk item was het kruit. Alweer bij het beleg van Tenochtitlan had Cortes 510 kg voor zijn kolveniers, zijn drie zware kanonnen en vijf kleine bronzen veldkanonnen. Uiteindelijk werden de boogpezen in grote aantallen verscheept en bevestigde het snelle verslijten van de pezen het gebrek aan betrouwbaarheid van de kruisboog in dit gebied.
Als het niet de getrainde kolveniers met hun "stokken die donder maakten" of zelfs de kruisboogschutters waren die de Amerikaanse Indianen verslagen hadden, dan moet het succes behaald zijn in de lijf aan lijf gevechten. Het lijkt ongelooflijk dat zulke kleine aantallen Spaanse soldaten, die niet altijd Indiaanse bondgenoten aan hun zijde hadden, duizenden Indianen konden overrompelen in lijf aan lijf gevechten, maar ze deden het. Hoe deden ze dat?
In de eerste plaats hadden de Spanjaarden het paard. De Amerikaanse Indianen hadden nog nooit eerder een paard gezien. De "Broken Spears" de Azteken beschrijving van de verovering brengt naar voren hoe bovennatuurlijk deze dieren voor de Indianen moesten zijn, die in het begin geloofden dat als de ruiter gedood werd het paard onbruikbaar achterbleef:
"De hengsten gingen voorwaarts, ze droegen de soldaten op hun rug. De soldaten droegen katoenen bescherming. Zij droegen hun lederen schilden en hun ijzeren speren in hun handen, maar hun zwaarden hingen langs de nek van de hengst."
"Deze dieren waren versierd met kleine belletjes. Als de hengsten galoppeerden maakten de belletjes een luid geraas, rinkelend en weergalmend."
"De hengsten snorkten en bulderden. Ze zweten veel, het liep in stroompjes van hun lichamen. Het schuim van hun bitten druppelde op de grond. Het sijpelde uit hun bekken in vette druppels zoals het schuim van de "Amole"" (een plant die door de Azteken gebruikt werd om zeep te maken).
"De hengsten maakten lawaai als ze liepen, ze maakten veel geraas alsof het stenen regende op de grond. De grond zelf heeft schrik op de plaats waar ze hun hoeven neer zetten."
Alhoewel de dominantie van de zwaar bepantserde cavalerist bedreigd werd door de introductie van de lange lans en de musket formaties, moest zulke cavalerie beschouwd worden als een belangrijke maatstaf op Europese slagvelden tot in de tweede helft van de 16e eeuw, en in Zuid Amerika heerste de zware cavalerie met overmacht. In het gevecht heeft de bereden soldaat een overweldigend voordeel op de infanterist, neerwaarts uithalen van een grotere hoogte met al de toegevoegde kracht die dat met zich meebrengt en zijn paard als wapen gebruikend om andere tegenstanders neer te slaan. Diezelfde hoogte maakte ook de ruiter minder bereikbaar voor de infanterist en de cavalerist kon langer vechten en sneller manoeuvreren dan de infanterist die enkel zijn eigen benen had om op te staan. Nog belangrijker was de mobiliteit die de paarden aan de Spanjaarden gaven ten overstaan van de Indianen die allemaal te voet waren. Steeds opnieuw gooiden kleine groepen Spaanse cavaleristen zich in de strijd of reden door het gebied om Indianen aan te vallen bij verrassing. Er was voor de Indianen geen mogelijkheid om zulke bliksemaanvallen te weerstaan, zelfs als een voorpost van een leger was uitgezet konden de Spaanse ruiters hen sneller voorbijrijden dan de wachtposten konden teruglopen om alarm te slaan.
In de "Broken Spears" werden ook beschrijvingen gegeven over de ruiters: "Er waren vijftien van deze mensen, sommigen met blauwe jas, anderen in het rood, anderen met zwart of groen en nog anderen met jassen van een aardekleur, héél lelijk, zoals onze "ichtilmatli" (een jas gemaakt van de vezels van de maguey cactus). Er waren er ook enkele zonder jas. Op hun hoofd droegen ze rode zakdoeken of mutsen van fijne rode kleur, weer andere droegen grote ronde hoeden die leken op kleine "comales" (brede platte gebakken schijf waarop toen en ook nu nog steeds tortilla's worden gebakken), welke voor schaduw moesten zorgen. Zij hebben een héél lichte huid, véél lichter dan de onze. Ze hebben ook allen lange baarden en hun haren komen maar tot aan hun oren."
De Europese mode in die tijd was het doublet, dubbele stoffen en leder met gesneden pofmouwen, met gewatteerde rollen op de schouders en heel korte brede kniebroeken ook gesneden als de mouwen. Hiermee werden passende kousen en kuithoge Moorse laarzen van rood leder ofwel de zwaardere ruwe lederen heuplaarzen, omgeplooid tot onder de knie (uitgenomen tijdens de gevechten) gebruikt. De kleding was kleurrijk, vooral rood was een veel gebruikte kleur en op hun hoeden zaten veren.
De doubletten boden een beetje bescherming tegen een zwaardhaal, maar toen de Conquistadores voor het eerst vochten in Zuid Amerika droegen ze bescherming van het type dat in Europa werd gebruikt. De kapiteins en enkele van de rijke cavaleristen droegen wat bekend stond als een driekwart wapenrusting: een gesloten helm, kuras, armbescherming en handschoenen en beenbescherming tot aan de knieën. Deze uitrusting had een héél decoratief voorkomen, omdat de periode van de Conquistadores samenviel met de piek van de kunst van de wapenrusting smid. De Italiaanse Oorlog veroorzaakte een wisseling van stijlen tussen de grote Duitse en Italiaanse wapenrusting makers en omstreeks 1500 fuseerden de voormalige kenmerkende stijlen van deze twee landen om over geheel Europa een gemeenschappelijke stijl te brengen die bestempeld werd als de Maximiliaanse wapenrusting, alhoewel deze term speciaal verwijst naar een wapenrusting die gedecoreerd was met verticale groeven. Hoe dan ook, wapenrustingen met glad oppervlak werden zoveel gebruikt als die met de groeven tijdens deze periode en inderdaad was de gladde wapenrusting de meest populaire buiten Duitsland (de gegroefde wapenrusting ging in 1520 uit de mode in Italië en in Duitsland omstreeks 1530). Na ongeveer 1510 werden de afgeronde hoeken van de wapenrusting platen gedecoreerd met koperen boorden van een geborduurd of koord ontwerp en omstreeks 1520 werd dit algemeen. Vanaf deze datum werden deze hoeken naar binnen gedraaid in plaats van naar buiten zoals eerder het geval was en dit was een vuistregel om wapenrusting te dateren. Een andere ontwikkeling omstreeks 1510 was het graveren van gehele wapenrustingen als imitatie van de kleding van die periode. Deze mode was op zijn toppunt in 1520 en eindigde omstreeks 1530.
De Spanjaarden werden sterk beïnvloed door de Moren en hadden een lichtere bewapende cavalerist ontwikkeld volgens Moorse stijl om het voordeel van de lansiers en kolveniers teniet te doen. Deze lichtere cavaleristen, "jinetes" genaamd, bereden lichtere snellere paarden dan de middeleeuwse ridders en gebruikten een rijstijl die veel wendbaarder was. In plaats van te rijden met gestrekte benen, zoals de middeleeuwse ridder die de schok van de chargerende lans moest opvangen, gebruikten deze ruiters korte stijgbeugels en reden met de benen achterwaarts geplooid alsof het lijkt dat de ruiter op de knieën op de rug van het paard zat. Een hoog Moors zadel werd gebruikt evenals de enkele riem, en het sterke Moorse bit, dat het paard deed draaien door druk op de nek en niet door het trekken aan de mondhoeken.
De meeste cavalerie in Amerika was van het type die een lichtere soort wapenrusting droeg die speciaal voor hen ontwikkeld werd. Doorgaans bestond die uit een open helm, halsstuk, kuras, heup en arm beschermingen en handschoenen, goedkopere uitrusting had halfopen bescherming voor de armen en had laminaat handschoenen die enkel de rug van de handen beschermden. Soms werd op de armen ook maliën gebruikt in plaats van plaat en sommige lichte cavaleristen hadden enkel een open helm, maliënhemd en handschoenen. De zware wapenrusting woog tussen de 27 en 32 kg, maar was toch niet erg hinderlijk omdat het gewicht gelijk verdeeld was over het gehele lichaam. Een maliënhemd kon een gewicht hebben van 7 tot 14 kg, afhankelijk van de grootte van de ringen, het grootste deel van dit gewicht werd gedragen door de schouders. De tropische regens van Centraal Amerika deed deze wapenrustingen al snel roesten, zelfs als ze zwart waren geschilderd om dit te voorkomen, terwijl de mannen die in de wapenrustingen zaten door de zon werden gekookt en het duurde dus ook niet lang of de Conquistadores namen de plaatselijke wapenrusting over, een jas van katoen of van de maguey vezels opgevuld met katoen tot een dikte van drie vingers. Deze wapenrusting wordt soms als gewatteerd betitelt en er moet enig naaiwerk aan te pas zijn gekomen om het vulsel op zijn plaats te houden. De jassen werden in de pekel ondergedompeld om ze wat steviger te maken en waren in staat om een Indiaanse pijl of een zwaardslag tegen te houden. Er wordt vertelt dat een Spaanse soldaat die uit een gevecht kwam eruit zag als een stekelvarken, met 200 pijlen in zijn gewatteerde jas, het was doodgewoon voor zulke wapenrusting om een tiental pijlen op te vangen zonder kwetsuren voor de drager.
Helmen en halsbeschermers werden bij die gewatteerde uitrusting gedragen, met plaatselijke hennep sandalen die de zware laarzen al snel vervingen. Een klein schild vervolledigde de verdediging van de cavaleristen, doorgaans een ovalen ijzeren of houten schild overtrokken met leder, ook werd de hartvormige "ardaga" gebruikt. Aanvalswapens waren de lans, zwaard en dolk. De lans was tussen de 3 en 4 m lang, dun en licht, met een ruitvormige metalen punt. De lans kon de Indiaanse gewatteerde uitrusting gemakkelijk doordringen.
Zowel in wapens, wapenuitrusting en geest waren de Conquistadores mannen van ijzer, zo schreef de schrijver van "The Broken Spears" over de Spanjaarden: "Hun wapens en versieringen waren gemaakt van ijzer; ze waren gekleed in ijzer, ze droegen ijzeren helmen op hun hoofd. Hun zwaarden waren ijzer, hun bogen waren ijzer, hun speren waren ijzer."
De tweede beslissende factor in de lijf aan lijf gevechten met de Indianen was de Spaanse infanterist met zijn zwaard. Tot deze tijd hadden de pike en de musket nog niet geheel de zwaard en schildmanschappen verdrongen, de mannen die de goede reputatie van het Spaanse leger hadden opgebouwd en beroemd waren doorheen heel Europa om hun vaardigheid als zwaardvechters. Gehuld in driekwart wapenrusting, open helm met halsstuk en bewapend met een lang tweezijdig geslepen zwaard en klein schild, hadden deze zwaardvechters de beroemde Zwitserse pike formaties die het slagveld voor een eeuw hadden geregeerd van de troon gestoten als beste infanterist.
De ontwikkeling van vuurwapens had de zwaardvechter nog niet overbodig gemaakt, alleen werd hun wapenrusting lichter om hen meer snelheid te geven in de aanval en in Amerika droeg de zwaard en schild infanterist meer wel dan niet alleen een helm en gewatteerde jas, of een jas met ijzeren plaatjes of hoorn vastgenaaid tussen twee lagen zeildoek, ofwel gewoon een zwaar lederen jacket.
Het rechte Spaanse zwaard was ongeveer één meter lang, tweezijdig geslepen met een scherpe punt en S-vormige handbescherming.
Dit was de periode dat de rapier, een steekzwaard, zijn intrede deed, en de kunst van het schermen werd populair in Europa. De Spanjaarden hadden veel geleerd van de Moren wat betreft het slagen van zwaardbladen, en in de tijd was Toledo één van de meest bekende plaatsen voor het vervaardigen van zwaarden. Strikte normen werden ingesteld en alle zwaardbladen werden streng getest door ze te torsen in een S en te buigen in een halve cirkel en door op volle kracht op een stalen helm te slaan vooraleer ze goedgekeurd werden. De Toledo zwaarden waren lange, sterke, flexibele, lichte en scheermes scherpe dodelijke wapens in de handen van vaardige mannen en de Spanjaarden waren de besten.
Tegen zulke fijne wapens hadden de Indianen enkel een zwaar onhandig zwaard dat enkel hakkend kon gebruikt worden; terwijl ze hun handen nog omhoog brachten om te hakken waren de Conquistadores in staat om een voorwaartse uitval te doen en met gemak hun katoenen jas te doorboren. Het is geen toeval dat de Spanjaarden, eens in Amerika gevestigd, de Indianen verboden om een stalen zwaard te bezitten onder eender welke omstandigheden.
Ten derde waren er de kanonnen die de Spanjaarden zo ijverig meesleurden of eerder inheemse dragers in dienst namen om dat te doen. Er is weinig verwijzing naar de rol die het kanon speelde in de veroveringen, doch door ooggetuigenverslagen van de gevechten kan aangenomen worden dat ze verwoestend waren, gebruikt in de groepsgevechten met een soort kartets projectiel, dat onregelmatige metalen stukken bevat, van dichtbij en met dodelijk effect. Het dodelijke effect bleef echter niet beperkt tot het fysieke: zoals de paarden hadden ook de kanonnen een effect op de geest en het moraal van de Indianen. Uit "The Broken Spears": "Dan vuurde één van de Spaanse kanonnen en dit veroorzaakte grote verwarring in de stad. Het volk vluchtte in elke richting, ze vluchtten zonder doel, volledig in de war, ze liepen alsof ze achtervolgd werden. Het was alsof ze de paddenstoel hadden gegeten die de geest verward of een verschrikkelijke verschijning gezien. Ze werden overmand door terreur alsof hun harten uitgeput waren. En toen de nacht viel verspreidde de paniek zich over de stad en hun schrik liet hen niet inslapen."
 
De Spanjaarden beroofden en versloegen Indianen

16e eeuwse zwaarden

stammen in Midden en Zuid Amerika  

 

1 of 4

 

01/01/2002