Three Feathers

Home
Up
Apache
Blackfeet
Conquistadores
Sioux
Brit N-Amerika
James Wolfe
Romeinen

 

De Blackfeet Indianen

 

Blackfeet Opperhoofd

 
Korte Geschiedenis van de Plains Indianen
De Great Plains zijn een land van zon, wind en gras en strekt zich meer dan 3.000 km uit van noord naar zuid, van de Noord Saskatchewan rivier in Canada tot bijna aan de Rio Grande in Mexico. Van oost naar west reiken ze ongeveer van de dalen van de Mississippi en Missouri tot aan de uitlopers van de Rocky Mountains. In totaal bestrijken de Plains een gebied van ongeveer 2.560.000 vierkante kilometer.
In 1780 werden de Blackfeet, ťťn van de grootste groepen op de noordelijke Plains, geschat op 15.000, de Lakota op 10.000 en de Cheyenne op 3.500.
Op de Plains heerst een gevarieerd klimaat, globaal zorgt de geringe regenval voor een woestijnachtig landschap, met name in het westen en zuiden, waar door de droogte de "badlands" of steenwoestijnen ontstaan. In het oosten, in de dalen van de Mississippi en Missouri, zorgt meer regenval voor een vochtige omgeving en groen prairielandschap, met lang, welig gras. Meer westelijk, in streken als de huidige staten noord en zuid Dakota, Nebraska, Montana en Kansas, maakt dit plaats voor kort gras.
Het meest opvallende dier op de Plains: de bizon was vroeger verspreid over geheel Noord Amerika, maar rond 1850 leefden ze vrijwel alleen nog op de Plains, in onmetelijke kudden, die volgens een voorzichtige schatting in totaal 60 miljoen dieren telden.
De stieren hadden een schofthoogte van bijna 2 meter en wogen zo'n 900 kilo. De eerste bewoners van de Plains hadden geen paarden. Ze dreven de bizons en antilopen door een smal toelopende doorgang naar een rotswand en de dieren zo een ravijn in.
Een vindplaats in het zuiden van Alberta is vanaf de prehistorie tot omstreeks 1850 door de Indianen van de Plains gebruikt, waarna de kudden begonnen te verdwijnen. Deze plek - die de Blackfeet Estipah-Sikikini-Kots noemden, "Waar zijn kop werd ingeslagen" - was ook een plaats van groot ceremonieel en ritueel belang, waar de praktische handeling van de drijverijen gepaard ging met het aanroepen van hogere machten, de geesten van de bergen, de wind en de raaf, die de Blackfeet beschouwden als de meest wijze vogel. Jaarlijks werden op deze plaatsen duizenden bizons gedood, vaak zoveel dat niet al het vlees kon worden verwerkt. Veel werd gedroogd en verwerkt tot pemmican, als wintervoorraad, en de huiden werden gebruikt voor tipi's.
Pemmican was het noodvoedsel op de Plains, met een zeer lange houdbaarheid. Het werd gemaakt door gedroogd bizonvlees te mengen met gekookt vet en appelbessen (bittere bessen van een plaatselijke heester). Met een grote stenen hamer werd het vlees geklopt tot het bijna poeder was en werden de botten gespleten om er het vet uit te halen. Pemmican was erg voedzaam en kon jarenlang bewaard worden. Het is vrijwel zeker dat verschillende stammen, zoals de Kutenai, de Flathead en vooral de Shoshoni, geregeld te voet naar de Plains trokken voor de bizonjacht.
 
   
Pas na de introductie van het paard vanuit het zuiden (in 1547 door de Spanjaarden) en het geweer uit het oosten kwam de historische Plains cultuur tot volle bloei. Terwijl het paard de mobiliteit vergrootte en de levensstandaard verhoogde - de ouderen werden niet meer achtergelaten, de tipi's werden groter en men kon meer spullen en voedsel vervoeren - stelde het geweer de Blackfeet en de Cree, die geen paarden hadden, op gelijke voet met de bereden Shoshoni, die ze uiteindelijk van de Plains verdreven. Door de uitbreiding van de pelshandel kregen de Blackfeet, Assiniboin en Cree meer geweren en werd het terugtrekken van de Shoshoni stammen versneld. Deze stammen veranderden hun tactiek door paarden te gaan stelen van de Shoshoni.
Met een ander tijdsverloop en andere vormen van druk volgden zowel de centrale als de zuidelijke Plains hetzelfde patroon. Vanuit het noorden en oosten trokken de Blackfeet confederatie, Cree, Arapaho, Cheyenne, Sarcee en Kiowa-Apache het weidse gebied binnen. Uit het oosten en zuidoosten kwamen de Siouan stammen - de Nakota, Lakota en Dakota, Crow, Hidatsa en Mandanen, en uit het westen en zuidoosten kwamen de Pawnee, Arikara, Comanche en Kiowa. Uit hun verschillende culturen was onder invloed van de nieuwe natuurlijke omgeving tegen 1800 een gemeenschappelijke levenswijze ontstaan. Deze nieuwe levenswijze werd versterkt en vermengd door handel en oorlog, hoewel ook nog veel van de oude volksaard behouden bleef.
Op de noordelijke Plains werd veel overgenomen van de vorige hoofdbewoners, de Shoshoni, vooral wat betreft het nomadische ruiterbestaan. De beschrijving van de Shoshoni is grotendeels ook van toepassing op de kenmerken van de latere nomadische Indianen van de Plains: De nadruk op oorlogvoering om maatschappelijk aanzien te verwerven, de hiŽrarchie op basis van behaalde coups, het scalperen, de rol van het paard in ieder aspect van hun leven, korte bogen - gemiddeld nog geen meter lang, geschikt om te paard te gebruiken en zeer soepel door de versteviging met
pezen - boogfoedralen en pijlkokers van ottervel, kleine, ronde schilden van bizonhuid, bezield met bovennatuurlijke beschermende krachten door de ceremoniŽle vervaardiging en beschildering, en de geduchte strijdkolven met stenen kop.
Het paardentuig, de stijgbeugels, zadels en hoofdstellen, vertoonde ook veel overeenkomsten, ongetwijfeld deels geÔnspireerd op Spaanse voorbeelden. Het gewone pakzadel kreeg bijvoorbeeld een hoge, vlakke zadelboog voor en achter, een variant die rond 1800 veel werd gebruikt door de vrouwen van de Shoshoni, maar later een klassiek vrouwenzadel van de Crow werd.
Het overdadige gareel dat een zo opvallend onderdeel van het paardentuig van de Crow zou worden, lijkt zijn oorsprong te hebben in het gebruik van de Shoshoni "de borst van zijn paard te behangen met de fraaiste ornamenten in zijn bezit".
Een belangrijke factor in de opkomst van de Plains Indianen was zonder twijfel de ontwikkeling van de tipi.
Mogelijk hadden de vroegere Shoshoni een klein, kegelvormig onderkomen, bedekt met stukken elanden- of bizonhuid.
De echte tipi - een groot, halfrond dekkleed over een kegelvormig skelet van rechte palen, waarin de afvoer van de rook van het centrale vuur over het algemeen kon worden geregeld door de kenmerkende vleugels of rookflappen bovenin bij te stellen - werd al halverwege de 16e eeuw gesignaleerd door de leden van Spaanse expedities naar de zuidelijke Plains. In die tijd nog vůůr de introductie van het paard, werden voor het vervoer nog honden gebruikt, dus zullen deze tipi's vermoedelijk klein zijn geweest, misschien niet meer dan 2,5 meter in doorsnee.
Het is zeker mogelijk dat deze onderkomens waren geŽnt op de kegelvormige wigwam in de noordelijke streken van zowel de Nieuwe als de Oude Wereld, want zoals een geleerde heeft opgemerkt waren de tipibewoners die de Spanjaarden zagen (waarschijnlijk Athabaskisch sprekende Plains-Apache) recente immigranten uit de omstreken van de noordelijke Plains.
De tipi's werden meestal met de achterkant naar de heersende westenwind opgezet. De brede onderkant en schuine zijden gaven de tipi genoeg stabiliteit in de soms plotselinge en sterke wind die op de Plains kan opsteken. In grote lijnen waren alle tipi's hetzelfde, al waren er een paar duidelijke verschillen tussen de stammen, ruwweg te onderscheiden naar het aantal palen van de fundering. In streken waar het erg waaide, bestond de fundering uit drie palen, terwijl in meer beschutte streken - bij de bergen of in bosrijke rivierdalen - meestal vier palen werden gebruikt. Zodoende gebruikten ver uiteen levende stammen als de Blackfeet in het noordwesten van de Plains en de Omaha in het zuidoosten vier palen en gebruikten de Assiniboin, ten oosten van de Blackfeet op de winderige vlakten van het huidige Saskatchewan en Manitoba, en de Kiowa op de zuidelijke Plains meestal het type met drie palen. De Crow gaven de voorkeur aan sierlijke, onbeschilderde tipi's, terwijl de Lakota hun tipi's verfraaiden met figuratieve en geometrische schilderingen. Het imposantst waren waarschijnlijk echter sommige tipi's van de Blackfeet, die volgens de beschrijving van de pelshandelaar Alexander Henry uit 1809 uitvoerig versierd waren met pictogrammen van bestaande en mythologische dieren. In dit soort tipi's van de Blackfeet waren soms tot 20 bizonhuiden verwerkt in het dekkleed, dat rustte op een skelet van ongeveer 20 palen van ruim 8 meter lang (die van de Crow waren soms nog langer).
De schilderingen op de tipi's zouden de bewoners beschermen tegen ongeluk en ziekte. Bij het schilderen van symbolische motieven volgde men bepaalde conventies, die duidelijk waren voor de hoeders van de religieuze tradities van de stam, maar niet noodzakelijkerwijs voor de gewone man. Bij de Blackfeet, bijvoorbeeld, was het teken dat beschreven kan worden als het Maltezer kruis een traditioneel symbool voor de Morgenster - die degenen die het symbool mochten gebruiken beschermde - dat in rood hoog achterop de tipi werd geschilderd. Het bezit van een heilige beschilderde tipi, met alles wat dat inhield, getuigde van hoge sociale status binnen de stam.
Aanzien hing echter ook sterk samen met wapenfeiten, waarbij het vangen van paarden van de vijand meer dan het doden een belangrijk doel was in de historische periode; het aanroepen van hogere machten diende om de spirituele krachten op te roepen die het doel konden helpen verwezenlijken. De kosmos van de Plains Indianen was grotendeels geconcentreerd rond dierlijke vermogens - de kracht van de bizon, de snelheid van de antilope, de moed van de adelaar en de wezel - maar men was zich ook bewust van een ongrijpbare macht van het  universum, die zich in iedere groep in andere gedaanten openbaarde en wortelde in oude geloofsovertuigingen die kunnen worden teruggevoerd tot de Woodlands, de oorspronkelijke geboortegrond van de verschillende Plains stammen.
 

Blackfeet tipi's

 

Blackfeet arend danser

 
Eťn wijd verbreid concept was dat van de drie parallelle werelden. Onder het oppervlak van het meer waar de aarde op dreef, huisden machtige geesten die over de dieren en planten op aarde en in het water heersten. Boven de aarde, voorbij het blauwe hemelgewelf, lag de bovenwereld, het domein van vergelijkbare geesten als die in de onderwereld. Tot de machtigste geesten hier behoorden de Dondervogels, die het met een blik van hun ogen en een klap van hun vleugels lieten bliksemen en donderen.
De aarde- en luchtgeesten waren voortdurend met elkaar in oorlog; de zon was meestal nauw met de Dondervogels verbonden, maar werd ook geacht samen met de maan de energiebron te vormen die voor de opeenvolging van dag en nacht en de cycli van de jaargetijden zorgde. Op aarde zorgden de geesten van de vier windstreken voor de wisseling van de seizoenen; hun krachten zetten de cyclus van het leven in gang en hielden die gaande. Honderden jaren lang hadden deze verheven machten uitdrukking gekregen in de symbolische en religieuze kunst van de Woodland stammen. Deze concepten werden door de historische Plains Indianen aangepast en verschillend geÔnterpreteerd, een proces waarop de natuurlijke omgeving zonder meer grote invloed had. De Oostelijke Sioux vervingen de onderwaterpanter, een centrale figuur bij de Woodland stammen, bijvoorbeeld door symbolen van een gehoornd onderwatermonster dat uit de meren kon komen om in bomen te gaan leven. Meer westelijk, bij de Blackfeet, was het kikkervisje het symbool van de machtige onderwatergeesten. Dit symbool stond op het kostuum van eigenaars van de prestigieuze Beverbundel, wat werd verklaard in een mythe waarin de kikker wordt geassocieerd met de held Oude Man, de bedwinger van de angstwekkende onderwatervijanden van de mens. De metamorfose van de kikker en zijn amfibische vermogens hebben, duidelijke overeenkomsten met het gehoornde onderwatermonster uit de mythologie van de Oostelijke Sioux.
In het Plains gebied was al vroeg een complex handelsnetwerk tussen de stammen ontstaan. Voor handel tussen stammen met een gelijksoortige levenswijze bestond weinig aanleiding, maar de handel tussen jagers en landbouwers was voor beide partijen gunstig. De nomadische stammen hadden gedroogd bizonvlees en andere producten van de jacht te bieden, zoals gelooide herten- en bizonhuiden, kledingstukken en tipi's van bizonhuid (die de sedentaire stammen op jachtexpedities gebruikten), in ruil voor de maÔs, bonen en pompoenen van de landbouwers.
Na de komst van het paard en Europese goederen namen de nieuwe stammen op de Plains waarschijnlijk bestaande handelspatronen over van de te voet gaande nomaden die zij verdrongen en breidden die nog uit.
Door de handelsnetwerken drong het geweer door in het westen en zuiden en het paard in het noorden en oosten.
De kledingstijlen werden duidelijk beÔnvloed door deze netwerken, die tot ver buiten de Plains reikten en waarlangs niet alleen koopwaar werd aangevoerd. Via een eeuwenoud en nog altijd uitdijend netwerk werden vrijwel zeker culturele invloeden overgebracht van de benedenloop van de Mississippi via de Mandanen en Hidatsa langs de Missouri. Het gevolg was een toenemende integratie van de oude rituelen, kosmologie en kunst van de noordelijke Plains en de kosmos en het ceremonialisme van het zuidoosten. De voornaamste import uit het Mississippi gebied was van spirituele aard wat bewezen wordt aan de hand van petrogliefen op grotmuren en rotswanden in het Plains gebied. Vanaf ongeveer 1730 worden afbeeldingen van dieren (wat wijst op een spirituele band tussen de kunstenaar en dierlijke geesten) verdrongen door krijgstaferelen. Er ontstaat een nieuwe levensstijl, opgebouwd uit fragmenten van het oude wereldbeeld die aan de nieuwe omstandigheden waren aangepast, waarin men steeds meer wordt gedreven door het vergaren van krijgseer en materiŽle rijkdom, die in de oorlog en bij stamceremonies uitvoerig worden getoond. Er was sprake van cultuurontwikkeling door de grote natuurlijke rijkdommen en de introductie van het paard, wat leidde tot een verschuiving van een regionale cultuur van sedentaire landbouwers naar een cultuur van nomadische ruiters.
De oorlogszuchtige aard van veel, zij het niet alle, Plains stammen werd gevoed door meer dan materiŽle rijkdom.
Een gezin op de Plains had geen enorme kudden nodig om in zijn materiŽle behoeften te voorzien; in hun nomadische bestaan zou zulk bezit waarschijnlijk eerder een last dan een aanwinst zijn. Vrijgevigheid kon iemands status verhogen, maar aan de oorlogvoering op de Plains lijkt vooral krijgseer - een geŽrfde hang naar aanzien en roem - ten grondslag te hebben gelegen.
Oorlog was hier een maatschappelijke instelling en wapenfeiten waren vereist voor sociale vooruitgang. EssentiŽle kenmerken van de oorlogvoering op de Plains, zoals het behalen van coups op een levende vijand met een onschuldige stok, zijn in het begin van de 18e eeuw beschreven voor de Illiois confederatie. Scalperen hield meer in dan de dood van een vijand. Oude tradities schreven voor dat deze handeling een aantal zware verplichtingen oplegde. Wie zijn eerste scalp had genomen of zijn eerste gevangene had gemaakt mocht na zijn terugkeer niet met zijn vrouw slapen en geen vlees eten. Hij dient niets tot zich te nemen dan vis en ingedikte melk. Deze onthouding duurt zes maanden. Als hij zich hier niet aan houdt, zo geloven ze, beneemt de ziel van degene die hij heeft gedood hem met toverkracht het leven, zal hij nooit meer overwicht krijgen op zijn vijanden en zal de kleinste wonde hem fataal worden.
Het contact tussen Plains Indianen en blanken verliep aanvankelijk vriendelijk, zeker in Canada. De systematische jacht op bevers en bizons, als gevolg van grote vraag naar bont, en de toevloed van blanke immigranten naar de Plains vanaf ongeveer 1840, maakten echter dat de betrekkingen tussen Rood en Blank langzaam maar zeker verslechterden. Eerder had een betreurenswaardig incident waarbij twee Piegan krijgers werden gedood door Meriwether Lewis, op zijn epische reis als Co-leider van het Ontdekkingskorps na de Louisiana Aankoop in 1803, al gezorgd dat de Blackfeet en de Amerikanen elkaar jarenlang vijandig gezind bleven. De spanningen namen nog toe door het beleid van de American Fur Company om blanke pelsjagers het grondgebied van de Blackfeet in te sturen, in plaats van "te vertrouwen op Indiaanse leveringen" zoals de Hudson's Bay Company. Pas toen Alexander Culbertson - die getrouwd was met de dochter van een Blood hoofdman - in 1846 bij de samenloop van de Marias en de Missouri Fort Benton stichtte, werden de betrekkingen tussen de Anglo-Amerikanen en de woeste Blood, Piegan en Siksika die samen de Blackfeet natie vormden enigszins gestabiliseerd. Nadien werd hier ongeveer dertig jaar lang gehandeld in bizonhuiden, die de Blackfeet eenvoudig konden leveren, een handel die geacht werd voor beide partijen zeer gunstig te zijn.
 

Blackfeet heilige man

Sitting Bull

 
De aantrekkelijke opbrengsten van de pelshandel luidden de doodsklok voor de Plains stammen, naarmate de vraag naar de bizonhuiden steeg. Over een periode van vijf jaar (1868-1873) zou de bizon louter afgeslacht worden om zijn huid door beroepsjagers die hun tenten opsloegen aan de rand van drinkplaatsen waar ze dag en nacht bleven schieten. De buitensporige slachting verontrustte en schokte de Plains Indianen, zoals Sitting Bull zou hebben opgemerkt: "Het is vreemd dat de Amerikanen klagen dat de Indianen bizons doden. Wij doden bizons, zoals we ook andere dieren doden, voor voedsel en kleding en om onze huizen te verwarmen. Zij doden bizons - waarvoor? Kijk naar de duizenden karkassen die op de Plains liggen te rotten. Uw jongemannen schieten voor hun plezier. Ze nemen van de dode bizon misschien alleen zijn staart, zijn kop, of zijn horens, om te bewijzen dat ze een bizon hebben gedood. Wat is dat? Is het diefstal? U noemt ons barbaren. Wat zijn zij?"
Niet alleen de Plains Indianen werden benadeeld maar ook de kolonisten die van de bizon afhankelijk waren voor hun wintervoorraad vlees en er nu niet meer op konden rekenen dat de kudden verschenen. Net als de Plains Indianen waren zij fel tegen de jacht om de huiden.
Bij de slachting van de bizon voegde zich nog een ander probleem - de trek van emigranten naar Oregon. In 1845 waren huifkarren een alledaags zicht op de Oregon route en in de zomer van 1850 stroomden duizenden emigranten door het land aangelokt door verhalen over een land (nu bekend als CaliforniŽ) zonder sneeuw of ziekte waar de "zwarte grond van Oregon bodemloos was". Door de toevloed van emigranten werd niet alleen het wild in de gebieden waar ze doorheen trokken verjaagd of gedood, maar werden de Plains Indianen ook getroffen door ziekten waar ze niet of nauwelijks weerstand tegen hadden. In een paar jaar tijd werden de Plains Indianen en hun leefomgeving onverwacht bedreigd: "Zelfs de schijnbaar oneindige bizonkudden van de Great Plains werden opeens minder talrijk of keerden niet meer terug op hun gebruikelijke plaatsen... Alcohol zoog de levenskracht uit degenen die op de kolonies en de trekroutes afkwamen... Stamgebieden... veranderden voortdurend doordat onteigende of verdreven groepen andere domeinen binnendrongen."
De situatie werd al snel onhoudbaar. De bescherming van zowel emigranten als Indianen werd ťťn van de voornaamste zorgen van de regering en om deze potentieel gevaarlijke situatie te beheersen werden drastische stappen overwogen; het uiteindelijke resultaat was een combinatie van verdragen en militair optreden.
Na 1850 werden twee grote verdragen gesloten met de stammen op de Plains: het Verdrag van Fort Laramie in september 1851, dat tot  onderhandelingen leidde tussen vertegenwoordigers van de Lakota, Cheyenne en Arapaho, Crow, Arikara, Assiniboin, Gros Ventre en Mandanen, en het Verdrag van Fort Atkinson in juli 1853, dat de betrekkingen met zuidelijke stammen als de Comanche, Kiowa en Kiowa-Apache poogde te stabiliseren.
Het Verdrag van Laramie stelde grenzen voor de stammen vast en stelde Opperhoofden aan, onder wie Conquering Bear, een Brulť-Lakota. Gulle gaven en beloften dat meer zou volgen speelden een grote rol in het regeringsbeleid (in ruil voor een veilige doortocht naar de Platte stemde de Amerikaanse regering in met "een jaarlijkse betaling aan de Sioux in goederen ter waarde van $50.000 voor de duur van vijftig jaar, af te leveren in de omgeving van Fort Laramie... als een van de Indiaanse naties die dit verdrag hebben ondertekend in gebreke blijft, behouden de Verenigde Staten zich het recht voor de natie in overtreding het voornoemde jaargeld geheel of gedeeltelijk te onthouden, totdat naar de mening van de President van de Verenigde Staten passende genoegdoening is geboden.") bij de pogingen hoofdmannen over te halen om te tekenen; gevoegd bij de aanstelling van "papieren hoofdmannen" (zoals hun bijnaam later luidde) gaf dit veel wrijving, vooral met fracties die niet hadden getekend.
De troepenconcentratie voor het geval deze groepen problemen gaven, bereikte het leger gedeeltelijk door oude pelshandelsposten aan te kopen of er een garnizoen in te legeren.
Fort Laramie werd een strategische legerpost en over de hele Plains kregen bestaande posten een militaire functie, men bouwde zelfs speciale posten bij om de blanke handelsroutes te beschermen.
Een ongemakkelijke vrede brak aan, maar nog geen tien jaar later zouden de Comanche, Kiowa, Arapaho, Cheyenne, Sioux en andere stammen van Mexico tot Canada een geduchte barriŤre tegen verdere expansie opwerpen, waardoor de opmars van de westgrens bijna een generatie lang zou stokken.
De geleidelijke oorlog van de onderwerping van de Plains begon met een koe, die zo uitgemergeld was dat de Mormoonse eigenaar haar had achtergelaten. Voor wat ongelooid leer en misschien nog een maaltje op de koop toe schoot High Forehead, een Miniconjou-Sioux die te gast was in het kamp van Conquering Bear, het dier op de middag van 18 augustus 1854 dood, "als vergoeding of genoegdoening voor enig onrecht... dat welke groep of persoon ook... het volk van de Verenigde Staten heeft aangedaan..." De emigranten eisten compensatie, en hoewel Conquering Bear direct een paard aanbood, vond luitenant Hugh B. Fleming de zaak zo onbenullig dat er die avond geen besluit werd genomen. Daar zou het waarschijnlijk bij gebleven zijn, als luitenant John Grattan de volgende dag niet fel partij had getrokken voor de emigranten en had geŽist met een detachement infanterie de Indiaan in kwestie in hechtenis te mogen nemen. Fleming stemde schoorvoetend met het voorstel in; hij droeg Grattan op de overtreder te ontvangen en in geval van weigering te laten gaan, naar eigen inzicht te handelen en "geen gevecht aan te gaan als de overwinning niet zeker was." Met sergeant W. Faver, 26 infanteristen, twee muzikanten en een doodsbange tolk (ene Lucien Auguste) reed Grattan naar het Lakota kamp. Twee keer werd hij met nadruk gewaarschuwd voor de gevaren van de situatie. Obridge Allen, een verkenner voor de emigranten, reed op Grattan toe en vertelde hem "dat de Oglala hun pony's binnenhaalden - bij de Indianen een onmiskenbare voorbereiding op een gevecht." Kort daarna zei James Bordeaux, een doorgewinterde koopman die in die tijd direct met de Lakota handelde, tegen Grattan: "Waarom laat u die oud koe niet gaan? Ze lag daar zonder eten of drinken en zou snel zijn doodgegaan; ze was te mank om te lopen; haar hoeven waren tot op het vlees doorgesleten. Wat jongens schoten haar dood om een stuk huid." Grattan vertelde Conquering Bear dat hij gekomen was om High Forehead naar het Fort te brengen. Man-Afraid-Of-His-Horses vertelde: "De Bear zei tegen mij: 'Jij bent een dappere, wat denk jij ervan?" Ik zei tegen hem: "Jij bent de hoofdman. Wat vind jij?'" Conquering Bear zei Grattan dat High Forehead "als gast in zijn dorp niet onder zijn gezag stond." Grattan kreeg opnieuw pony's aangeboden en werd op het hart gedrukt niets te doen voordat majoor John W. Whitfield er was, de Indiaans Agent, maar Grattan liet zijn mannen het Brulť dorp binnentrekken en verklaarde dat "hij zelf naar de tent van High Forehead zou gaan." Op ongeveer 55 meter van de tent, die vlakbij die van Conquering Bear stond, liet hij de houwitsers laden en stelde hij zijn mannen op aan weerszijden van het geschut.
Het overleg kreeg een grimmige ondertoon en zelfs de diplomatieke Conquering Bear begon zijn geduld met de aanmatigende Grattan te verliezen. Man-Afraid vertelde: "De Bear zei dat het star van hem was omdat het een slechte koe was geweest en dat hij zich vandaag door de komst van de soldaten schaamde dat de blanken hem hoofdman hadden gemaakt en nu kom je mijn dorp in en plant je grote kanonnen... Wat ik ook vertel, je luistert niet. Als ik geen hoofdman was, zou ik je slaan. Maar ik ben hoofdman en ik ben aangesteld door de blanken, dus ik doe het niet." Even later brak de gefrustreerde Grattan het overleg af. Hij liep naar de manschappen en gaf een bevel dat de Indianen niet verstonden. Er vielen twee of drie schoten en ťťn krijger werd geraakt. Bordeaux hoorde de hoofdman tegen de krijgers roepen niet te schieten, dat het misschien een schot was om de eer van de troepen te bewaren en dat ze zouden vertrekken. Grattan was inmiddels echter overtuigd van de noodzaak van verder machtsvertoon en liet de infanterie een salvo afvuren. De boogschutters aan de zijkant lieten hun pijlen vliegen en Grattans eenheid, die niet of nauwelijks gevechtservaring tegen Plains Indianen had, schoot in paniek alle kanten op. Grattan viel op de grond; toen zijn lichaam later werd gevonden staken er vierentwintig pijlen in. Eťn pijl was dwars door zijn hoofd gegaan en hij kon alleen worden geÔdentificeerd dank zij zijn zakhorloge. Binnen korte tijd was de hele eenheid op ťťn man na uitgeschakeld.
De enige overlevende, soldaat John Cuddy, was zwaar gewond weggekropen in de wilde rozenstruiken. Hij stierf twee dagen later zonder het treffen te hebben beschreven.
De botsing onderstreepte de onafzienbare verschillen tussen de twee culturen en vormde een waarschuwing voor toekomstige "papieren hoofdmannen". De ongemakkelijke vrede was voorbij. Het Grattan bloedbad was het begin van onregelmatig oplaaiende, vaak genadeloze oorlogen die bijna veertig jaar later, in december 1890, een definitief en tragisch einde zouden vinden met de slachting onder de Lakota van Big Foot, bij een beekje in Zuid-Dakota dat de wereld nu kent als Wounded Knee.
De natie was gebroken en verspreid, het hart was verdwenen, de heilige boom was dood - de onderwerping van de Plains Indianen was een feit. Er restte de Indianen niets anders dan een nieuw pad te volgen, het enige pad dat nog voor hen openlag namelijk het pad van de Blanke.
 
Three Feathers
 
Uit: Indianen: De oorspronkelijke bewoners van Amerika.
Door Colin F. Taylor en William C. Sturtevant.
 

 

01/07/2001