|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
De Apache Indianen III |
|
| De Apache gevechten | |
| De Spanjaarden | |
| Getrokken door het vooruitzicht van het Rooms Katholiek geloof en door de legendes over minerale rijkdommen, trokken de Spaanse conquistadores onvermijdelijk voorbij de noordelijke grens van Mexico in het land van de Apachen. Toen Francisco Vasquez de Coronado's expeditie de pueblo's van de Rio Grande plunderden in 1540, waren de Apachen goed gevestigd in hun traditionele thuisland in het zuidwesten, en de Oostelijke Apachen waren in povertjes omschreven stammen verdeeld aan de grenzen van de vlakten. Verschillende elkaar opvolgende expedities adverteerden de brutaliteit van de Spaanse kolonisatie, en vermomden de Spaanse soldaten die strooptochten ondernamen om Indiaanse slaven te bekomen, onder het mom de grenzen van de beschaving te verleggen. Het vangen van Indianen voor de verkoop op de florerende slavenmarkt verbeterde natuurlijk de relatie tussen de Apachen en de Spanjaarden niet. | |
| In 1598 stichtte Juan de Onate de eerste Spaanse gouverneur van New Mexico, een kolonie in de Rio Grande vallei. In 1599 vielen zijn soldaten de Acoma Pueblo van de Keres aan, ze doodden 800 man en namen bijna 600 gevangenen, waarvan hij alle mannen boven de 25 jaar veroordeelde tot het afhakken van een voet en 20 jaar te dienen als slaaf. Het lijkt aannemelijk dat de Apachen, die vrienden waren van de Keres, aanwezig waren bij de verdediging van Acoma. In de jaren die volgden vielen de Apachen en de Navajo's zo hevig Onate's eerste stad, San Gabriel, aan dat deze verhuisde naar Santa Fé in 1610. In 1630 gebruikten de Apachen de paarden zowel voor rijdier als voor voedsel en een zelfde conflict met de Spanjaarden deed zich voor. Toen Apachen naar de Pueblo Indianen gingen om te handelen, werden ze door de Spanjaarden in de val gelokt en werden als slaven verkocht. Als gevolg wakkerde de Apachen hun haat tegen de Spanjaarden en Mexicanen aan, en betaalden ze terug met aanvallen die zo vernietigend en frequent waren dat vele nederzettingen verlaten werden. Terwijl de Pueblo Indianen aanzagen tegen een mogelijk verlies van hun oogst of zelfs totale vernietiging als ze de superieure Spaanse overmacht durfden uit te dagen, de buitengewoon mobiele Apachen konden hard en vernietigend toeslaan en gezwind terugtrekken, gebruikmakend van hun oude vaardigheden om hun achtervolgers te misleiden. | |
| Tot op zekere hoogte veranderde de Spaanse invasie de Apachen hun gebruiken: er waren grotere groepen nodig voor de strooptochten en families konden niet meer onbewaakt achter blijven. Stropen werd een constante bezigheid voor de gehele lokale groep, het buitgemaakte vee verving tot op zekere hoogte de verstoring van het vergaren van planten. Stropers onthielden zich geregeld van het direct vernietigen van de nederzettingen: want als die bleven waren ze een belangrijke bron van waardevolle grondstoffen. De Spanjaarden kweekten vee en graan, wat de stropende Apachen naar behoren verzamelden. | |
| Apache hinderlagen, valstrikken en strooptochten waren frequent tussen 1660 - 80, toen de Pueblo Opstand, aangevuurd door enkele Apache stammen, de Spanjaarden verdreef uit New Mexico. Desondanks de Spaanse herovering 12 jaar later, en de vestiging van presidios langs de noordelijke grens, gingen de Apachen verder met hun strooptochten diep in Mexico en Texas. Tegen 1700 was elke stam stevig gevestigd op hun traditioneel terrein en het patroon van strooptochten en Spaanse strafexpedities duurden voort in de ganse 18e eeuw. De Spanjaarden gebruikten bondgenoten uit stammen zoals de Opata om hun verdediging te steunen. Na 1714 werden Jicarilla Apachen ook als bondgenoten gebruikt in de legermacht die in 1779 de Comanche versloeg. | |
| Na 1786 verlieten de Spanjaarden hun onvermogende politiek om de uitroeiing van de Apachen te bewerkstelligen, toen Viceroy Bernarde de Gálvez een nieuwe toenadering introduceerde. De stammen moesten aangemoedigd worden om oorlog tegen elkaar te voeren, en de stammen die vrede zochten moesten in reservaten, - establecimiento de paz - nabij de Spaanse presidios worden ondergebracht, en voorzien worden van rantsoenen en minderwaardige Spaanse vuurwapens om ze afhankelijk te maken van de Spanjaarden. Gálvez stelde ook voor om de Apachen te voorzien van alcohol, als "... een middel om hun welwillendheid te winnen, hun geheimen te ontdekken, ze te kalmeren zodat ze niet zo dikwijls dachten aan en het uitvoeren van hun vijandelijkheden, en hen een nieuwe noodzaak bezorgen welke hen nog meer direct afhankelijk maakte." | |
| Die nieuwe politiek genoot matig succes en leidde tot een periode van relatieve kalmte van 1790 tot 1830. Chiricahua groepen vestigden zich nabij Bacoachi in 1786 (hoewel hun meest bevriende opperhoofd, Isosé, werd gedood door vijandige Chiricahua's in 1788). Vrede gezinde Indianen voegden zich bij de Spanjaarden in de achtervolging van de vijanden, dit illustreerde het Spaanse succes in het breken van de sterkte van de stammen. Ook werd het broederschap tussen de Apache en de Navajo verstoort toen Gileños het Navajo opperhoofd Antonio El Pinto doodde omdat die de Spanjaarden had geholpen tegen hen. Tegen 1793 bevatten 8 reservaten zo'n 2.000 Apachen en in 1810 werden de Mescalero's land, rechten en rantsoenen toegekend. | |
| De Mexicanen | |
| Na de onafhankelijkheidsverklaring van de Mexicanen verslechterde de Apache situatie. De Mexicaanse regering kon zich niet veroorloven om de presidios efficiënt te bemannen en hun gebrek aan kapitaal verminderde de subsidies voor het systeem om de Apachen te voorzien van rantsoenen, dit ondermijnde de overeenkomsten tussen de Apachen en de Mexicanen. De strooptochten herbegonnen met grote hevigheid in 1830, dit ontvolkte veel van het slecht verdedigde noordelijk Sonora en Chihuahua. | |
| De diepgewortelde Apache haat tegen de Mexicanen werd nog versterkt toen in 1825 de gouverneur van Sonora een prijs van 100 peso's ($100) op de scalp zette van elke Apache boven de 14 jaar. Dit werd geïmiteerd door de Chihuahua provincie in 1837 en werd uitgebreid met 50 peso's voor vrouwelijke scalpen en 25 voor die van kinderen. | |
| In 1822 hernamen de Mexicanen het werk in de kopermijnen van Santa Rita, onder de bescherming van Juan José Compá, de leider van de Kopermijn Mimbreños. In 1837 werd Juan José uitgenodigd bij een Amerikaans handelaar, James Johnson genaamd van wie hij geloofde dat hij een betrouwbare vriend was, om een feest bij te wonen. Het opperhoofd stemde toe, maar toen zijn volk at en dronk vuurde Johnson een karkets schot van een verborgen houwitser in hun midden en zijn gewapende medeplichtigen vervolmaakten de bloedige slachting. Juan José's scalp was één van de vele die Johnson en zijn premiejagers naar Sonora brachten om ze te wisselen voor hun bloedgeld. | |
| Juan José's opvolger was Mangas Coloradas - Rode Mouwen - een grote man met zwarte haren, vermaard als krijger en staatsman. Hij liet zijn haat tegen de Mexicaanse kolonisten de vrije loop door het belagen van de "conducta" die hun voorzagen van proviand. Als de kolonisten de veiligheid van het fort moesten verlaten werden ze gedood door de Mimbreño krijgers. Het territorium van de Mimbreños bleef onveilig na de opgave van Santa Rita en de scalpjagers voerden natuurlijk het bittere conflict tussen de Apachen en de Mexicanen nog op. | |
| De Oorlog met de Amerikanen | |
| Na het tekenen van het Verdrag van Guadalupe Hidalgo in 1848, het afstaan van het Spaanse zuidwesten en haar Indiaanse stammen aan de Verenigde Staten, werden de Amerikaanse troepen teruggetrokken uit Mexico. Ondanks de overeenkomst van de Verenigde Staten om de Apachen te verhinderen de nieuwe grens over te steken bleven de strooptochten onverminderd voortduren. De Apachen waarvan de stammen ondertussen afhankelijk waren geworden verstonden de houding van de Amerikanen ten overstaan van de strooptochten in Mexico niet. | |
| Cochise en Mangas Coloradas | |
| In de nasleep van de 1851 Grens Commissie heropenden mijnwerkers de Santa Rita kopermijnen en ontdekten goud in de nabijgelegen Pinos Altos. Mangas Coloradas hadden de naam het mijnwerkerskamp te bezoeken en boden hen aan om hen naar rijkere goudaders te leiden. Bang voor een val bonden ze Cochise aan een boom en gaven hem zweepslagen. Zijn woede maakte van hem de grootste vijand van de Amerikanen in de komende jaren. Na de 1853 Gadsen Verwerving wantrouwden de Apachen hun groei en verspreiding als een groeiend aantal Amerikaanse kolonisten hun land introkken. De aandacht van de Amerikanen werd gefocust op de Chiricahua's die, alhoewel goed genoeg om de passage van de Butterfield Stage te beveiligen, het hoofdobstakel waren voor de Amerikaanse kolonisatie in New Mexico. | |
| In januari 1861 leidde luitenant George Bascom van het 7e Infanterie 54 bereden infanteristen naar de Apache pas op zoek naar twee gekidnapte jongens. Cochise, de grote leider van de Centrale Chiricahua, werd gevraagd naar de tent van Bascom te komen en arriveerde aan het hoofd van een kleine groep. Hij suggereerde dat de jongens gekidnapt waren door Coyotero Apachen en bood aan om te bemiddelen. Bascom beschuldigde echter verkeerdelijk Cochise van de misdaad en stond erop dat hij gevangen zou blijven tot de jongens terug zouden zijn. Ongerust en kwaad trok het opperhoofd een mes, sneed in de tent en ontsnapte aan de soldaten die rond hem stonden, maar de andere Chiricahua's werden als gijzelaars gehouden. Cochise keerde terug met zijn eigen gijzelaars - gevangen Butterfield postwerkers - en bood een wissel aan. In een atmosfeer van wederzijds wantrouwen raakten Cochise's krijgers en Bascom's soldaten betrokken in een kleine schermutseling en beide leiders doodden hun gijzelaars. | |
| In de komende jaren werden de Amerikanen teruggetrokken uit Apache land om in de Burger Oorlog te gaan vechten. Cochise rook zijn kans, geholpen door Mangas Coloradas, de kolonisten te verdrijven met aanhoudende strooptochten. Verdragen werden geschonden en opnieuw werd een uitroeiingpolitiek tegenover de Apachen aangenomen. In 1862 bezetten de California Volunteers van generaal James Carleton opnieuw New Mexico en Arizona. Een koeriereenheid onder kapitein Roberts werd door de Apachepas gestuurd waar Cochise en Mangas Coloradas hen opwachtten. De artillerie, die de soldaten vergezelde, vernietigde de hinderlaag en Mangas Coloradas werd van zijn paard geschoten. Hij werd naar Janos gedragen waar de dokters opgedragen werd hem te verzorgen of hun stad zou vernietigd worden. Hij overleefde het, maar een jaar later ging hij onder een witte vlag het kamp van kapitein Shirland's California Volunteers binnen om er te praten over vrede tussen hen en de mijnwerkers en soldaten. Hij werd gevangengenomen en generaal West zei herhaaldelijk tegen zijn bewakers: "Ik wil hem dood of levend, morgenvroeg, hebt ge me begrepen? Ik wil hem dood." 's Nachts werden zijn bewakers gezien hoe ze hun bajonetten verhitten en ze tegen de benen van het oude opperhoofd legden en toen hij protesteerde schoten ze hem neer. Om hun werk af te maken onthoofden ze hem en kookten zijn hoofd in een grote pot. Het officiële rapport verklaarde dat Mangas Coloradas gedood werd tijdens een ontsnappingspoging. Cochise zette de strijd verder met krijgers als Nana en Victorio van de Warm Springs Apachen aan zijn zijde. | |
| Carleton's veldtochten, in welke "de Indianen stevig gegeseld moeten worden", waren ook gericht tegen de Mescalero en Navajo en deze onplooibare politiek resulteerde in de afslachting van Manuelito's vreedzame stam in 1862. De twee stammen werden bijeen gedreven en verzameld in het Bosque Redondo Reservaat ondanks hun onaanpasbaarheid en hun wederzijdse vijandigheid. In 1865 waren er 9.000 Navajo en 500 Mescalero Indianen ondergebracht in verschrikkelijke levensomstandigheden en de Mescalero's begonnen terug te keren naar hun oude landen en Carleton probeerde zonder succes om nog meer stammen in het reservaat te proppen. In 1868 werden de Navajo toegestaan om de verheugende 'Lange Mars' terug naar hun eigen land te ondernemen. | |
| Crook's eerste veldtocht | |
| In 1870 voorzag "de vredespolitiek" van president Grant een alternatief voor de uitroeiing en werd het Kamp Grant bloedbad 1871 de drijfveer. Vredelievende Arivaipa Apachen vrouwen en kinderen van opperhoofd Eskiminzin werden afgeslacht door burgers van Tuscon en Papago Indianen en de bedreven buitensporigheden veroorzaakten een nationaal protest. Generaal George Crook werd aangewezen als bevelhebber van het Arizona Departement om een einde te maken aan de onhandige pogingen van de militaire en burger autoriteiten en om de Apachen te dwingen zich te vestigen in de reservaten. Een vredescommissie met Vincent Colyer en generaal Oliver Howard werd ondertussen uitgezonden om reservaten te vestigen. | |
| Reservaten werden opgericht in Fort Apache voor de Cibecue en Noordelijke White Mountain; in Kamp Verde voor de Noordelijke en Zuidelijke Tonto; en in Kamp Grant voor de San Carlos en de Zuidelijke White Mountain divisies voor de Westelijke Apache stam. Uitbraken en strooptochten duurden evenwel verder en in 1872 scheepte generaal Howard in voor zijn Tonto Basin campagne. Hij gebruikte de tactiek die bewezen had succesvol te zijn in de onderdrukking van de Apachen, in het bijzonder door Apache verkenners te gebruiken om ze onophoudelijk te achtervolgen en lastig te vallen om hen duidelijk te maken dat ze geen enkele plaats hadden om zich te verbergen. Het werd een populair gezegde dat enkel een Apache in staat was een Apache te vangen en Crook zei eens: "Om een diamant te polieren, is er niets beter dan zijn eigen stof". Een gedeelte van de reden van Crook zijn succes met zijn verkenners, en in al zijn onderhandelingen met de Apachen, was dat ze hem vertrouwden. Hij vertelde hun de waarheid en eerlijkheid was een héél belangrijke deugd onder de Apachen. | |
| Het meest dramatische gevecht tegen de Tonto's had plaats in de Salt River Cave in december 1872. Majoor Brown zijn colonne betrapte de Apachen in een grote, smalle grot 120 tot 150 m van de top van een rotswand. Het was schijnbaar onaantastbaar, beschermd door een natuurlijke wal; en de Tonto's sloegen op hun billen en hoonden spottend als ze gevraagd werden zich over te geven. Door te vuren tegen het dak van de grot ketsten de kogels van de soldaten neer op de families van de Tonto's. Plots vulde een hoge wanhopige, maar bedreigende gil de lucht, welke de verkenners herkenden als het doodslied, wat betekende dat de Apachen gingen chargeren. De charge werd teruggeslagen door musketten snelvuur van de soldaten en de Apachen werden verslagen. Een soortgelijke overwinning op Turret Mountain verzekerde de overgave van de meerderheid van de Tonto's. Crook zette een prijs op het hoofd van de meest onverzoenbare krijger, Dekshay, en twee verkenners legden elk een ander hoofd voor. "Overtuigd van de ernst van beide partijen en het binnen brengen van een extra hoofd betaalde ik beiden", legde Crook uit. | |
| In 1870 verzamelden zich vele Oostelijke Chiricahua's, ook Loco en Victorio, in het Cañada Alamosa Agentschap nabij Ojo Caliente (Warm Springs), ze waren het oorlog voeren moe. Maar als ze bevolen werden te verhuizen naar het Tualarosa Reservaat vluchtten ze de bergen in. In 1872 richtte generaal Howard en Thomas Jeffords (een vriend van Cochise) een reservaat op voor Cochise's volk rond het Chiricahua Gebergte. Het volk werd lastig gevallen door bezoeken van Chiricahua's en White Mountain Apachen uit Tualarosa en San Carlos en de dichte nabijheid van de grens. De dood van Cochise in 1874 viel samen met het verzoek van de Chiricahua om te verhuizen naar Warm Springs als gevolg van de faling van het Cañada Alamosa Agentschap. | |
| Het meeste werk om de Indianen vreedzaam onder te brengen in de reservaten werd grotendeels tenietgedaan door de "concentratie" politiek ingevoerd na 1875. De kracht die de Indianen putten uit hun liefde voor hun eigen land en de vijandigheid tussen vele stammen, maakte dat die concentratie politiek onvermijdelijk moeilijkheden veroorzaakte. In februari 1875 maakten meer dan 1.400 Tonto's en Yavapais een verschrikkelijke bergtocht naar San Carlos; Levi Edwin Dudley, die de supervisie had over de verhuis, snauwde: "Het zijn Indianen - laat de schooiers wandelen". Ze werden daar verenigd met de White Mountain stam van Fort Apache in juli. | |
| Clum en Victorio | |
| Het San Carlos Reservaat werd geleid door John P. Clum wiens onafhankelijke acties, geholpen door zijn Apache politie, in botsing kwamen met de militairen. In 1876 arriveerde Clum in het Chiricahua Reservaat om zo'n 1.000 Chiricahua's naar San Carlos te escorteren, maar velen, waaronder de meest prominente vijanden Geronimo, Juh en Nolgee, zagen de kans de benen te nemen. Ze namen hun toevlucht in het Warm Springs Reservaat; maar in 1877 arriveerde Clum met zijn politie daar en ondanks de late aankomst van de militaire back-up, namen ze Geronimo gevangen en begeleiden hen toch naar San Carlos. | |
| Beseffende dat zijn autoriteit door de militairen werd opgeslorpt nam Clum in juli 1877 ontslag en in september ontsnapten 300 Chiricahua's met Victorio en Loco. Elf dagen later gaven 187 van hen zich over in Fort Wingate en werden weggevoerd naar Warm Springs waar geleidelijk meer en meer vijanden bijeenkwamen. Midden oktober 1878 vernamen ze dat ze terug naar San Carlos moesten en Victorio en 80 van zijn volgelingen verdwenen in de heuvels. In februari het volgende jaar gaf Victorio zich over in Mescalero, maar in juli vluchtte hij nogmaals, ditmaal naar Mexico. Een reeks van bloedige strooptochten volgde en Victorio ontkwam aan elke poging om hem te arresteren. Tenslotte op 15 oktober 1880 stierf hij met de meeste van zijn krijgers in een lang gevecht met Mexicaanse troepen. Ironisch genoeg werd juist voor zijn vlucht beslist om het Warm Springs Reservaat aan de Chiricahua te geven zoals Victorio wenste, maar strooptochten veroorzaakten de opschorting van het idee. Victorio's oorlog werd verder gezet door het oudere oorlogsopperhoofd en medicijnman Nana, wiens 40 krijgers acht geregelde veldslagen uitvochten en wonnen en ontweken 1.400 soldaten gedurende twee maanden over een afstand van 1.500 kilometer alvorens te ontsnappen naar Mexico in de zomer van 1881. | |
| In 1881 namen veel wanhopige San Carlos Indianen hun toevlucht tot de religie van de White Mountain medicijnman, genaamd Nocadelklinny, wiens geloof deed denken aan de Plains Indianen Geesten Dans. Tegen een achtergrond van reservaatverveling in de steriele, vochtige, ziektedragende atmosfeer van San Carlos, had hij genoeg invloed om zelfs Indianen van vijandige stammen bijeen te brengen. Schrik van zijn antiblank gepreek bevalen de Amerikanen Nocadelklinny's arrestatie. Op 30 augustus 1881 hadden de troepen van kolonel Carr de medicijnman onder arrest, maar werden door een groep van zijn aanhangers aangevallen en de White Mountain verkenners kwamen in opstand en liepen over. De Apachen belegerden op 1 september Fort Apache, maar het geraas stierf uit en de Indianen verdwenen 's nachts. | |
| Crook en Geronimo | |
| De dramatische groei van de militaire aanwezigheid in San Carlos veroorzaakte de uitbraak van de Chiricahua's waaronder Juh, Chato, Naiche en Geronimo. Geronimo was een medicijnman en krijger van de Bedonkhohe stam, was gehard vóór de oorlog in zijn jonge jaren toen zijn familie werd afgeslacht door de Mexicanen. Hij had als gevolg een bijzondere afkeer van Mexicanen, welke hij gebruikte om op te scheppen, dat hij ze kon doden met een steen. Door zijn verwantschap met Juh en zijn Nednhi Apachen, die deel uitmaakten van de stam die de Siërra Madre afschuimden, had Geronimo tegen 1880 een gevreesde reputatie opgebouwd. | |
| In april 1882 waren Juh en Geronimo in het geheim in het reservaat geglipt en verplichtten Loco en zijn volk om met hen te vluchten. Het opperhoofd van de Indiaanse politie, Albert Sterling, werd doodgeschoten en Geronimo leidde de groep van verschillende honderden Chiricahua's weg van het agentschap. Achtervolgd door soldaten waaronder de cavalerie van kolonel George Forsyth, bereikten de Apachen, geholpen door Geronimo's kracht om de dageraad uit te stellen, de Mexicaanse grens. Ze lieten hun waakzaamheid wat verslappen, liepen in een Mexicaanse hinderlaag en leden zware verliezen, zelfs Apachen waren niet onfeilbaar. | |
| In september 1882 nam generaal Crook terug het bevel over het Departement Arizona en luisterde naar de grieven van de San Carlos Apachen. Hij stationeerde een cavalerie eenheid in San Carlos om te verhinderen dat de vijanden terug binnenglipten en organiseerde zijn muildier colonnes en vijf compagnies White Mountains Apache verkenners om de stropers te achtervolgen. Zijn 50 soldaten leken nietig tegen zijn 200 Apache verkenners, die rode hoofdbanden droegen om zichzelf te identificeren als ze over de grens Mexico ingingen - welke was toegestaan onder een nieuw "hot pursuit" overeenkomst tussen de Mexicanen en de Amerikanen. | |
| In maart 1883 waren er vijandigheden en bliksem strooptochten in Mexico, zuidoost Arizona en New Mexico. Op 1 mei 1883 begon Crook's Siërra Madre expeditie geleid door een verkenner die Peaches heette en bij de vijanden had geleefd en de krijgsmacht volgde de stropers toen ze terugtrokken in hun Siërra Madre Fort. De verkenners, onder kapitein Emmet Crawford, stuurden de ruige troep vóór de hoofdgroep en omsingelden de vijand zijn grote bergkamp zo goed en zo kwaad ze konden en maakten het buit, ze doodden 9 mensen, terwijl de meeste van de overlopers op strooptocht waren. | |
| Onder de indruk van Crook, en het gevoel dat ze hem konden vertrouwen, gaven de overloper Apachen zich over nadat Geronimo drie lange 'preken' had gehouden. Vervolgens escorteerde Crook meer dan 325 Apachen terug naar San Carlos, maar aanvaardde Geronimo's woord dat hij zelf zou binnenkomen nadat hij al zijn volk had bijeen gekregen. Tot ieders verbazing beantwoordde Geronimo aan Crook's eerlijkheid en arriveerde in maart 1884, hij dreef een grote kudde Mexicaans vee (welke naar behoren verbeurd werd verklaard) voor zich uit. Geharde overlopers zoals Chihuahua, Nana, Loco, Chato en Geronimo zaten nu in het reservaat, terwijl de onverzoenlijke Juh in de herfst van 1883 verdronken was. | |
| In mei 1885, als gevolg van een illegaal drinkpartijtje, vluchtte Geronimo uit angst voor zijn arrestatie uit San Carlos vergezeld door Chihuahua, Nache de zoon van Cochise, Nana en Mangas de zoon van Mangas Coloradas. Een telegram om Crook te waarschuwen bereikte hem niet op tijd. Chihuahua splitste zich af van de andere Apachen en werd door luitenant Davis achtervolgd tot in Mexico. Ondertussen plaatste Crook cavaleristen langs de grens bij alle waterputten en organiseerde een achtervolging door Apache verkenners omdat Geronimo weer beschutting gezocht had in de Siërra Madre. In januari vonden de verkenners van Crawford de vijanden hun paarden en voorraden en begonnen onderhandelingen met Geronimo. Crawford werd echter gedood door Mexicaanse scalpjagers, een moord waarvoor zijn verkenners om wraak schreeuwden. | |
| Bedreigd door Amerikaanse en Mexicaanse soldaten, en onophoudelijk lastig gevallen door de verkenners, besloot Geronimo op 25 maart 1886 te praten met Crook, Chato en Alchise die de generaal vergezelden. Op voorwaarde dat ze toestemming kregen om na twee jaar gevangenschap in het oosten terug te keren naar hun families zei Geronimo: "Eens bewoog ik mij als de wind. Nu geef ik mij over aan U - en dat is alles." Het Oorlogs Departement was Crook's termen afvallig, hun vraag voor een onvoorwaardelijke overgave plaatste Crook echter in een onmogelijke positie. Geronimo en Naiche samen met 39 vijandige Chiricahua's waren ondertussen nog maar eens op de loop nadat ze door een handelaar van whisky waren voorzien. Na de suggestie dat zijn Apache verkenners hadden meegewerkt in de zaak nam Crook in afkeer ontslag op 1 april en werd vervangen door brigade generaal Nelson 'bear coat' Miles. De 77 voortvluchtige Chiricahua's die zich overgegeven hadden werden op de trein gezet naar Fort Marion, Oklahoma en arriveerden daar op 13 april 1886. | |
| Miles liet honderden verkenners en 5.000 soldaten, dit was ongeveer 1/3e van de ganse legermacht aan de grens, achter 20 krijgers en 13 vrouwen jagen. Uiteindelijk konden twee verkenners een onderhoud versieren en op 4 september 1886 gaf Geronimo zich voor de laatste keer over. In de loop van 1885 - 86 veroorzaakte zijn stam zo'n 95 slachtoffers in het Amerikaanse leger en burgers en doodde hij een onbekend aantal Mexicanen. Geronimo's verliezen worden geschat op een totaal van 13, enkele daarvan in directe acties met het Amerikaanse leger. Hij en zijn krijgers werden naar Fort Pickens, Florida gestuurd in 1886, terwijl hun families naar Fort Marion moesten. Onder Miles werden zelfs de vredelievende Chiricahua's in de overbevolkte Florida forten gestoken, 381 werden er gestuurd in september 1886. Hieronder bevonden zich Crook's toegewijde verkenners die een beloning van 10 pony's waren beloofd in de plaats van gevangenzetting. | |
| In 1887 was zo'n toegewijde verkenner, Apache Kid genaamd, die gevangen zat voor het doden van de moordenaar van zijn vader, ontsnapt en omzeilde alle klopjachten tot hij in 1894 stierf van tuberculose. De ongelukkige Arivaipa Eskiminzin werd ervan beschuldigd de Apache Kid te hebben geholpen en zonder Crook's bescherming werd hij van zijn voorspoedige velden verbannen naar Florida. | |
| De Chiricahua werden in 1887 en 88 verhuisd naar Mount Vernon Barracks, Alabama, doch dit was echter geen vooruitgang. In 1894 werden ze dan naar Fort Sill, Oklahoma, gebracht waar Geronimo stierf op 17 februari 1909. De Westelijke Apache groepen bleven in het San Carlos Reservaat, terwijl de Jicarilla een reservaat in de Rio Arriba in 1880 toegewezen kregen. De Mescalero tenslotte ontvingen het eigendomsrecht op hun gronden op de oostelijke hellingen van de White en Sacramento Bergketens in 1922. De Lipan verhuisden naar het Mescalero Reservaat in 1903. In 1913 kregen de Chiricahua's in Oklahoma hun vrijheid: 84 van hen gingen verder in het bewerken van hun grond in Fort Sill, terwijl 187 tenslotte terugkeerden naar de Zuid Westen Apacheria en leefden in het Mescalero Reservaat. | |
|
|
|
| Te paard:Geronimo en Naiché. Links: Geronimo's zoon met een baby in de armen. Rechts: een vierde onbekende Apache. | |
| Deze foto is genomen kort voor hun overgave aan Crook in 1886. | |
|
|
|
|
3 of 3 |
|
|
|
|
|
06/08/2001 |