Three Feathers

Home
Up
Apache 2
Apache 3

 

De Apache Indianen I

 
"De gehele geschiedenis van ons contact met de inboorlingen, is vergelijkbaar met een onverzoenbare stommiteit." schreef een officier die enkele jaren in het zuidwesten, het Apachen thuisland heeft gewoond, "het volk van de Verenigde Staten heeft een wrede en meedogenloze oorlog gevoerd tegen een volk, een volk waarvan de naam aan hen onbekend was. De naam "Apache" komt niet voor in de taal van de "Tinneh", met deze naam willen onze Indianen zichzelf noemen "De Man"". vervolgde hij.
De naam Apache komt eigenlijk van een Zuñi woord dat "vijand" betekent.
De Apachen, wiens gebied delen besloeg van wat nu Texas, Arizona, New Mexico en Mexico is, waar een aantal kleine groepen, elk bestaande uit een aantal families door bloedverwantschap met elkaar verenigd en in hetzelfde gebied leefden. Elke lokale groep was afhankelijk van de andere, terwijl een aantal van deze groepen een losse gemeenschap of stam vormden met een aantal territorium beperkingen. Deze stammen sloegen samen onder één opperhoofd in tijden van oorlog, in vredestijd had elke stam zijn eigen leider. Bovendien bezagen sommige verenigde groepen zichzelf als een volk.
Elke lokale groep had doorgaans een leider die de moeilijke beslissingen nam, zoals het uitsturen van een strooptocht groep, het houden van plechtigheden en soortgelijke activiteiten. Hij had echter enkel zijn overredingskracht om zijn volgelingen te overtuigen zijn wil te doen. Elke familie die het niet met de leider kon vinden was vrij om zich bij een andere groep te voegen, een populaire leider trok volgelingen aan uit een aantal naburige groepen. Elke groep had ook zijn eigen medicijnman. Sommige groepen hadden opperhoofden van vader op zoon, ook werd de positie doorgegeven aan zonen van overleden opperhoofden of leden van belangrijke families die kwaliteiten hadden als goede jager, krijger of wijze man. Clanhoofden in de groep waren onderopperhoofden terwijl hun vrouwen leider waren over de vrouwen van de groep.
In oorlogstijd werd één man, gekend voor zijn vechters- en leidinggevende kwaliteiten gekozen als oorlogsopperhoofd van een hele stam van meer dan verschillende honderden krijgers. Individuele groepen gaven soms de voorkeur aan hun eigen oorlogsopperhoofd, het was ook niet ongewoon dat een stam met meer dan twee opperhoofden ten strijde trok.
De stamraad, bestaande uit een aantal lokale groepsopperhoofden en onderopperhoofden, kozen ook een burgerlijk leider, iemand die bekend stond voor zijn welbespraaktheid, voor de duur van de oorlog. Soms werden beiden, de oorlog- en de burgerleider vertegenwoordigd door één man. Terwijl de raad en de stamleiders de grote oorlogen moesten goedkeuren, was een individu vrij om een strooptocht te organiseren en te ondernemen op eender welk ogenblik. Hij kon krijgers uit zijn eigen groep overtuigen om hem te volgen. Vóór eender welke strooptocht of oorlog begon werden speciale dansen en plechtigheden gehouden, de scalpdans waaraan iedereen deelnam, werd gehouden bij de succesvolle terugkeer van de krijgers.
Heel soms reden de Apachen te paard hun vijanden tegemoet maar ze stegen wel af om strijd te leveren, ze waren immers slechte ruiters Eén van generaal George Crook's officieren, die dienst deed tegen de Apachen, schreef: "De Apache is een harde vijand om te onderwerpen, niet omdat hij vol trucs en knepen zit en bedreven was in alles wat betrekking had tot de kunst van de oorlogvoering, maar omdat hij zo weinig artificiële noden had en toekwam met datgene wat moeder natuur voor hen gereed had. Als ze zich op het oorlogspad begaven waren ze miniem gekleed, een paar hertenvel mocassins met leggings die tot het midden van de dij reikten, een lendendoek die achteraan tot aan de knieholte hing, een hoofddeksel versiert met havik- of arend pluimen, een geweer en de nodige munitie in een riem of een boog en een pijlenkoker gevuld met pijlen die erom bekend stonden giftig te zijn, een deken over hun schouders geworpen, een waterdichte aarden kan die dienst deed als veldfles en misschien een kleine hoeveelheid stukjes vlees en of geroosterd maïsmeel.".
Dat is alles, uitgenomen, zijn gezegende voorwerpen en zijn medicijn, want dit is de tijd dat de Apache geen enkel risico neemt, door het negeren van de voorzorgen die nodig zijn om al zijn geesten en goden aan zijn zijde te krijgen. De Apache vocht zelden oorlogen in grote groepen, ze gaven de voorkeur aan strooptochten. Hun tactiek bestond eruit om met een kleine groep, twee à drie Apachen, naar een beschutte plaats te sluipen dat uitzicht gaf over een vijandig kamp. Daar zouden ze wachten, zelfs verschillende dagen, praktisch zonder te bewegen, tot ze een kans kregen om een kudde op te jagen, enkele vijanden te doden of een karavaan huifkarren te overvallen. Een officier schreef: "Ze wisten zich zo volledig te camoufleren dat iemand bijna op een krijger stapte alvorens hij diens aanwezigheid ontdekte. Volledig naakt, met hun hoofd en schouders gewikkeld in een bundel van yuca scheuten of "sacaton" gras en hun lichaam ingewreven met klei of zand, waarin hij kronkelde als de ratelslang zelf en evenzo giftig was, kon de Apache de blanken naderen tot op gehoorsafstand". De officier vervolgde nog: "In zulke gelegenheden gaf hij de voorkeur aan zijn speer of boog, omdat die geen lawaai maakten en er kon een halve of zelfs gehele dag voorbij gaan vooraleer het stijve en bebloede lichaam van de herder of vrachtrijder gevonden werd en de aanwezigheid van Indianen in de omgeving werd opgemerkt. Ik kan tenminste twintig van zulke voorbeelden geven die ikzelf heb meegemaakt..."

Een Apache oorlogsmedicijn kap voor krijgers vervaardigd uit bokkenhuid, versierd met spijkers, een zilveren schelp en arendsveren.

 
De Apachen stammen
De Navajo Apachen
Het Apachean of de zuidelijke Athapaskan taal en daardoor ook de Apachen zelf, kunnen verdeeld worden in zeven stammen: de Navajo, Westerse, Chiricahua, Mescalero, Jicarilla, Lipan en de Kiowa Apachen. De Navajo werden beschouwd als een aparte eenheid, door toedoen van ontwikkelingen in hun cultuur, maar hun Apache afstamming wordt niettemin weergegeven door opvallende gelijkenissen met bepaalde Apache trekken. Hierdoor zullen we de Navajo Apachen verder in deze beschrijvingen achterwege laten.
 
De Kiowa Apachen
Van de zes echte Apache stammen waren de Kiowa het minst geïntegreerd in de Apache maatschappij. De vroegst bekende afwijking in de taal, omstreeks 1300, ontstond tussen de Westerse en de Kiowa Apachen. De Kiowa scheidden zich af voor de start van de invloed van de Pueblo's in het zuidwesten. De Kiowa bleven aan de noordoostelijke rand van het zuidwesten en hadden geen historische politieke verbindingen met de Apachen, ze namen de cultuur van de vlakte Indianen over, nauw verwant  tot de Kiowa Indianen zoals hun naam al deed vermoeden. Terwijl de Kiowa Apachen hun eigen identiteit hielden, vormden ze, ondanks hun vreemde taal en afstamming, een onderdeel van de Kiowa kampen en gemeenschap.
 
De Lipan Apachen
De Apache stam die het meest verwant was aan de Kiowa waren de Lipan, die minder vlakte invloed in hun cultuur hadden.
Zij hadden een zwak ontwikkelde groepsorganisatie. Geruchten spreken van drie groepen in het begin van de 19e eeuw.
 
De Jicarilla Apachen
De dichtste verwanten van de Lipan waren de Jicarilla Apachen, wiens bergachtig grondgebied, voor zover bij Indianen van grondgebied kan worden gesproken, reikte van noordoost New Mexico tot zuidelijk Colorado. De Jicarilla, wiens naam komt van het Spaanse "kleine mand" als referentie naar de vrouwen hun bedrevenheid in het manden weven, zo'n 800 in 1850. Zij waren verdeeld in twee groepen. De groep ten westen van de Rio Grande stond bekend als de "sand people" en bestond uit zes lokale groepen. Zij waren ook bekend onder de Spaanse naam "Olleros" pottenmakers, maar aangezien ze bergbewoners waren zou het aannemelijker zijn dat ze "Hoyeros" werden genoemd, wat "volk van de bergen en dalen" betekent. De acht plaatselijke groepen ten oosten van de Rio Grande waren de "Gulgahén" of Llaneros wat "vlakte volk" betekent. Ze omvatten, ten minste gedeeltelijk, de vlakte Apachen groep die bekend stond als de Lipiyanes wiens Cuartalejo, Paloma en Carlena groepen werden opgenomen in de Jicarilla na 1800. Terwijl er geen talen of culturele verdeling tussen de oosterse en westerse groepen was, hing het lidmaatschap simpelweg af van de verblijfplaats, er heerste een sterke verstandhouding. De competitiegeest tussen de twee kwam het best tot uiting door de jaarlijkse ceremoniële aflossingskoers, die dezelfde was als die van de noordelijke Pueblo's van de Rio Grande.
 
De Mescalero Apachen
Ten zuiden van de Jicarilla huisden de Mescalero. De naam is een Spaanse term die "mescal makers" betekent, verwijzend naar hun intensief gebruik van de agave, een plant die een belangrijk bestanddeel was in het Apache bestaan. De Mescalero leefden rond de Sacramento, Guapalupe en Davis bergketens in het zuidoosten van New Mexico en het westen van Texas, hun thuisgrond omringde de afschrikwekkende 3.658 meter hoge Siërra Blanca. Hun jachtgronden spreidden zich zuidelijk uit in Mexico en ten oosten van de Pecos rivier op de vlaktes. De Mescalero waren losjes verdeeld in het "volk van de vlakten" = "gulgahéndé" ten oosten van de bergen, en diegene die in de bergen woonden werden het "ni't áhende" = "volk van de aard scheur" genoemd.
De stammencultuur was volledig gelijkvormig en deze pure geografische afdelingen hadden geen vaste grenzen of functies. Organisatie in groepen was zwakjes ontwikkeld, de meeste groepen waren bekend onder de naam van de bergketens die ze bewoonden. De belangrijkste Mescalero groep was de Siërra Blanca, terwijl de Apache groep bekend als de Faraones het zuidelijke deel vormden. Het grondgebied van de verschillende groepen was maar lichtjes vastgelegd, juist zoals dit het geval was bij de andere bizonjagende Apache stammen. Dit was in het geval van de Mescalero aangewezen door het feit dat de bizonkuddes enkel over de oostelijke laaglanden graasden. Dus enkel met een flexibel systeem van lichtjes bepaalde groepen en grenzen konden stamleden van andere Mescalero's ook van deze vitale rijkdommen genieten.
 
De Chiricahua Apachen
De Chiricahua was misschien wel de beruchtste Apache stam. Voor hen was het verdelen in groepen belangrijk, hun geheel was onderverdeeld in drie groepen elk met kleine culturele verschillen. Een verwarrende verscheidenheid van dubbelzinnige namen werd gebruikt om de verschillende delen van de Chiricahua te benoemen, maar de groepsonderverdeling kan vereenvoudigd worden als volgt.
De oostelijke Chiricahua bewoonden het gebied in zuidwest New Mexico ten westen van de Rio Grande. Hun Chiricahua naam was "cihéne" wat zoveel betekende als "rode verf volk" door de typische band rode verf over hun gezicht. De term Gileños of Gila Apaches werd door de Spanjaarden gebruikt om verschillende groepen aan te duiden, maar het werd specifiek gebruikt voor die Apachen die aan de hoofdstroom van de Gila rivier woonden en kan beschouwd worden als synoniem voor de oostelijke Chiricahua. Na 1800 bevatten de Gileños twee aparte groepen: de Mimbres en de Mogollon Apachen elk genoemd naar de bergketens die ze bewoonden. De Mimbres werden ook wel de Kopermijn Apachen genoemd en waren soms verdeeld in twee nauw met elkaar verwante groepen: de Kopermijn "Mimbres" en de Warme Bronnen "Ojo Caliente" Apachen.
Terwijl Geronimo's volk, de Bedonkohe Apachen, soms als een aparte stam werd beschouwd, leek het er meer op dat ze identieke Mogollen Apachen waren. Dus de oostelijke Chiricahua groep (Gileños) omvatte de Mimbreños (de Kopermijn en de Warme Bronnen) en de Mogollen (Bedonkohe) Apache groepen.
De tweede Chiricahua groep waren de Chokonens, ook bekend als de centrale of echte Chiricahua en de Cochise Apachen, naar hun bekende leider. Hun land reikte in Mexico en New Mexico vanuit zuidoost Arizona het Chiricahua gebergte in, vandaar hun groep- en stamnaam, in het gebergte was ook de beruchte Apache Pass.
Ten zuiden van de echte Chiricahua bevond zich de derde en laatste groep: de zuidelijke Chiricahua die in de Siërra Madre regio van noord Mexico woonden. Zij waren bekend onder de naam Nednhi "vijandig volk" en soms als Pinery of Bronco Apachen.
 
De Westelijke Apachen
Ten noorden van de Chiricahua stam huisden de Westelijke Apachen van Arizona, die rond 1800 in vijf autonome groepen verdeeld waren, elk met een klein verschil in hun taal.
De meest oostelijke en grootste groep waren de White Mountain Apachen wiens land zich uitstrekte van de Pinaleño Mountains in het zuiden en de White Mountains in het noorden. Die waren verdeeld over de Oostelijke en Westelijke White Mountain groepen en soms werd naar hen verwezen met de naam Coyoteros. Een eerdere onderverdeling in de Siërra Blanca (White Mountain) en in het noorden en de Coyotero in het zuiden wordt verondersteld.
Ten noorden van de White Mountain Apache waren de Cibecue groep wiens land ver noordelijk van de Mogollon bergketen reikte, in het westen afgeboord door de Siërra Ancha. De Cibecue omvatten de Carrizo, Cibecue en Canyon Creek groepen. Naar het zuidwesten zat de San Carlos groep die in de uitlopers van de Galuiro en Santa Catalina bergketen huisden. Zij omvatten de San Carlos, Apache Peaks, Pinal en Arivaipa groepen, de laatste twee mogelijk door de opname van de aparte Pinaleños en Arivaipa Apachen. Omdat de taal van de San Carlos groep gebruikt werd in vroege studies, wordt hun naam soms gebruikt voor al de Westelijke Apachen.
In het noordwesten waren er de Noordelijke en Zuidelijke Tonto groepen. De Zuidelijke Tonto reikten noordwaarts van de Siërra Ancha en Mazatzal bergen, ze waren verdeeld in de Mazatzal groep en zes naamloze halfgroepen. De Noordelijke Tonto leefden juist ten zuiden van de San Francisco bergen, bevattende de Bald Mountains, Fossil Creek, Mormon Lake en Oak Creek groepen. De Tonto groepen en vooral de Noordelijke waren nauw verwant met de Yuman stam: de Yavapais. De naam Tonto werd gebruikt om de zuidoostelijke Yavapais aan te duiden en er wordt gedacht dat de Tonto onderverdelingen van de Westelijke Apachen kan ontstaan zijn door onderlinge huwelijken van deze Indianen en de Apachen. Terwijl de afdeling van de Tonto Apachen in noordelijke en zuidelijke groepen een integraal deel vormden van Goodwin's officiële interpretatie van de Westelijke Apache gemeenschap, bezagen de Tonto zichzelf als een enkele groep.
Verschillende namen verwezen naar het geheel of delen van de Westelijke Apachen. Zij werden als geheel betiteld als Tonto, maar deze term werd in de wijde zin van het woord gebruikt voor de Yuman en Apache groepen die het Tonto Basin bewoonden. De term "Pinaleños" werd gebruikt voor een hoofdonderverdeling van de Westelijke Apachen, maar verwees doorgaans naar die Indianen die in de Pinal Mountains woonden. Zowel de volledige Westelijke Apache stam en de White Mountain onderverdeling werden beschreven als de Coyoteros.
De Apache stammen kunnen verdeeld worden in drie groepen wat betreft hun taal en de periode van migratie in het historische gebied. De Westelijke Apache, Mescalero en Chiricahua vormden een typische Apache groep waar de Navajo oorspronkelijk toe behoorden. De tweede groep waren de Jicarilla en de Lipan en de derde groep de Kiowa Apachen. Culturele verschillen onder de Apache waren tot op zekere hoogte gelijklopend met deze onderverdelingen, deze stammen leefden in nauw contact met elkaar en deelden bepaalde handelingen en trekjes. Aldus waren er nauwe verbintenissen tussen de Chiricahua en Mescalero die de laatste waren om een eigen identiteit aan te nemen.
De geografische positie van de stammen tastte ook hun cultuur aan door de invloed van niet Apache stammen en door contact met het volk van het zuidwesten, de vlakten en het Great Basin. Waar veralgemeningen worden gemaakt aangaande de Apache stammen als een geheel wijken de Kiowa Apachen af van de norm door hun sterke verbintenis met de vlakten en zouden aldus niet beschouwd mogen worden als Apache.
 
Het Apache leven
Sociale structuur
De sociale structuur van het Apache volk volgde een typisch patroon. De bevolking was dun verspreid in kleine groepjes over de grote stammen territoriums. Zo'n bestaan in een ruwe omgeving leende zichzelf niet tot een geordende sociale structuur. Als gevolg was de samenhang van de stam minimaal, zonder centrale bevelhebber, het bestond fundamenteel uit herkenning van een aparte cultuur en gastvrijheid voor hen met dezelfde gebruiken, taal en kleding. Ook hadden leden van een bepaalde Apache stam tot op zekere hoogte een interne eenheid, besloegen bepaalde jachtgebieden, ze herkenden elkaars dialecten en de stam waarin ze geboren waren hun hele leven lang. Eén centrale bevelhebber en gezamenlijke politieke actie waren héél beperkt en werd zelden gezien.
De grootste werkelijke eenheid was de lokale groep, de kern van het bestuur, de sociale organisatie, de jacht, oorlogvoering en de religieuze plechtigheden. De vijandige omgeving die een sterk verbonden vereniging op stamniveau verhinderde, versterkte de samenhang binnen de lokale groepen. Dit werd nog versterkt door de naaste verwantschap tussen de meeste leden van de lokale groep, door bloed of huwelijk. Ze vergaarden zich rond een oudere die optrad als woordvoerder en de groep was bekend onder zijn naam.
Lokaal groepsleiderschap was het grootste voorbeeld van een Apache regering en was de positie die de stamopperhoofden zoals Cochise en Victorio bekleden. Van de groepsleider werd verwacht dat hij moedig was in de strijd, vrijgevig tegenover de behoeftige en welbespraakt tijdens publieke gelegenheden. Er werd ook van hem verwacht om zijn verwantschap met de Apachen en hun gezegende krachten ten toon te spreiden door de kennis en autoriteit om bepaalde religieuze plechtigheden op te voeren. Zoals ook de Plains Indianen draagt een Apacheleider zijn volk niets op, maar gebruikt zijn invloed op hen, zijn beslissing naar voren brengend en verdedigend als zijnde de beste voor het algemeen welzijn. Zijn rol was om harmonie te onderhouden door de andere familiehoofdmannen te consulteren en om te oordelen over geschillen samen met Apachen die een scherpe blik hadden op het familiale eergevoel. Een populair woordvoerder die bewijst een goede vooruitziende te zijn zou een opkomende lokale groep kunnen leiden, terwijl een achteruitgaand leider zachtaardig verplaatst wordt voor een andere man wiens woord meer gewicht in de schaal werpt. Een ontoereikend man zou het nooit brengen tot een vooraanstaande positie omdat de Apachen hun mensen te goed kenden. Alhoewel de post van lokale groepsleider niet erfbaar was, kon de zoon van een leider toch de post erven door de invloed en opvoeding die hij van zijn vader had genoten.
De lokale groep bevatten zo'n 30 uitgebreide families, deze bestonden denkbeeldig uit man en vrouw, ongehuwde zonen en dochters en gehuwde dochters met hun mannen en kinderen, verzameld in een familietroep, elke familiekern bezette een aparte woning. De lokale groep werd verbonden met een bepaalde woning en stond veelal bekend onder een naam van een naburig herkenningspunt zoals een rivier of een bos. De nederzetting, een plaats van superieure verdediging, onderdak, voedsel, water en velden, bezorgde de lokale groep een focuspunt. Familiehoofdmannen ontmoetten elkaar hier en bespraken het gebruik van de velden. De meeste huishoudelijke taken werden uitgevoerd door de ganse familie die redelijk onafhankelijk kon functioneren binnen de lokale groep. Zij verlieten de nederzetting om te jagen of voedsel te vergaren en keerden terug om het verder te bewerken.
De Apache vrouwen vormden de rode draad door de generaties van een uitgebreide familie aangezien het gebruikelijk was dat de man na het huwelijk bij zijn vrouw en haar verwanten ging wonen. Het huwelijk nam meestal plaats tussen niet verwante leden van dezelfde lokale groep, als een man huwde in een andere groep moest hij de overstap maken naar een ander gebied.
Vrouwen waren geschikt voor het huwelijk na hun puberteit, de mannen nadat ze de verantwoordelijkheid op zich hadden genomen als krijger en jager, doorgaans rond hun twintigste jaar. De huwelijksplechtigheid was simpel, doorgaans werden er geschenken uitgewisseld, zoals bij de Plains Indianen, hetgeen voor verschillende jaren bleef bestaan tussen de beide families. De bouw van een nieuw onderdak voor het gehuwde koppel, in het gebied van de vrouw haar familie, bevestigde het huwelijk. De pasgehuwde man toonde respect voor zijn nieuwe verwanten door nederigheid en het gebruik van beleefde taal. Hij verbond zich tot het werken voor de ouders van zijn vrouw, die hem "hij die de lasten voor me draagt" noemden. Terwijl de Apache erg individueel was, wordt toch van hem verwacht, zelfs in zijn jonge jaren, zijn uitgebreide familie op de eerste plaats te zetten. Een nauwgezette echtgenoot kon, nadat hij eerst hoofd van zijn eigen familie werd, aanspraak maken op het leiderschap over de uitgebreide familie en eventueel over de lokale groep.
Terwijl polygamie werd gerapporteerd in alle Apache stammen, behalve bij de Lipan, was het geen algemeen gebruik. Alleen een rijk man kon twee maal huwen en gewoonlijk met de zuster van zijn vrouw.
De onderverdeling van de Apache stammen in groepen, lokale groepen en uitgebreide families werd nog moeilijker bij de Westelijke Apachen door het bestaan van een matriarchaat clansysteem, wat betekent dat de kinderen tot de stam van de moeder behoren en haar naam krijgen en haar goederen erven, wat doet denken aan de Western Pueblo. Er waren 62 clans, hun leden maakten aanspraak op de afstamming van mythologische vrouwen en de clans namen hun namen aan - bv. 'Two rows of yellow spruce coming together people' - van de landbouw plekjes die deze vrouwen oprichtten. Alle clans waren uiteindelijk afstammelingen van één van de drie mythologische clans. Alle Westelijke Apache groepen waren met deze clans ineengestrengeld. Sinds de leden van een clan zich verbonden voelden om elkaar te helpen, creëerden ze uitgestrekte stammenbanden waardoor de lokale groepen ook verbonden raakten. Een clan kon herkend worden aan de hand van eigenaardigheden in plechtigheden, gedragingen, kleding - doorgaans de haarband - en door clanontwerpen die kledingstukken en bezittingen sierden.
Een huwelijk tussen leden van clans die aan elkaar verwant waren was verboden bij de Westelijke Apache; ook de andere Apache stammen verachtten een huwelijk tussen nauwe verwanten. Incest was volgens het Apache geloof nauw verwant met zwarte kunst, de praktische noodzaak om zulke huwelijken te voorkomen werd aangemoedigd door hun religieuze overtuiging.
 
Jagen en verzamelen
"Apacheria" het land van de Apachen, was een ruw onvriendelijk gebied van beboste bergtoppen tot woestijnachtige laaglanden met een extreem klimaat met temperaturen tussen 38°C in augustus en -17°C in de winter. Doorheen de evolutie van generaties ontwikkelden de Apachen een verwantschap en een aangeboren kennis met hun thuisland. Tegen een ontmoedigende achtergrond van canyons, tafelbergen en woestijnen, joegen ze, zochten ze voedsel en vochten om te overleven, zoals de houtrat, de hagedis en de ratelslang overleefden.
De Apache haalde met veel moeite een uitdagend maar tevreden bestaan door het jagen op wild en vergaren van fruit, zaden en wortels van wilde planten. Er werd in beperkte mate aan landbouw gedaan, vooral bij de Jicarilla, Westelijke Apachen en de Lipan, die beplantten en bevloeiden lapjes grond met koren, graan, haver, bonen, pompoenen en maïs. Maar alle Apachen waren in de eerste plaats jagers en plukkers.
Het wild in "Apacheria" was zo gevarieerd als het gebied zelf. Herten, elanden, antilopen en langhoorn rund waren de voornaamste grote prooidieren in de bergen, heuvels en de vlakten, terwijl de Mescalero, Jicarilla, Lipan en Kiowa Apache ook naar de Plains trokken op zoek naar de bizon. Hun dieet werd aangedikt door vlees van kleine dieren zoals de houtrat, konijnen en opossums. Hierbij nog de Spaanse gift van rondzwervend huisvee en ook paarden en muildieren werden gegeten om de hongerdood te verdrijven. Ondanks het feit dat hun land enkel genoeg opbrengsten had om te overleven, en niet meer, wezen sommige groepen het vlees van bepaalde dieren af op grond van religieuze taboes. Coyotes, beren en slangen werden doorgaans gevreesd als ziektedragers en de belichaming van kwade geesten. Sommige vogels zoals de kalkoen werd niet gegeten door het voedsel dat deze dieren aten: wormen en insecten, terwijl vis door hun slijmerige en geschubde huid geassocieerd werd met de slang.
Jagen was de verantwoordelijkheid van de man die doorgaans alleen, in paren of in kleine groepjes werkten. Ze joegen op groot wild te paard met speer en boog, en gemaskerd met bewerkte dierenhoofden om herten en antilopen te voet te benaderen en vingen ook dieren in vallen. Soms werkten de mannen samen in bereden aflossingen om herten tot uitputting te brengen, ook hielp soms de volledige lokale groep om bizons, antilopen of zelfs konijnen te omsingelen. Bij de Chiricahua was de jacht zo man gericht dat zelfs de aanwezigheid van een door een vrouw geweven mand ongeluk zou brengen.
Apache jongens leerden van hun grootvaders de kunst om met boog en pijl te schieten. Nadat ze hun eerste kleine prooi geschoten hadden werden ze het gefluit, geroep, gewoonten en de religieuze mystiek van alle dieren en vogels bijgebracht. De volwassen jager was zo scherpzinnig, listig en gehard als de dieren die hij besloop en hij kende alle bijzonderheden van zijn jachtgebied. Zoals de woorden van een oude Apache: "Er is overal eten, je moet het enkel zien te vinden." Dit was overeenkomstig met het geloof van de Westelijke Apache die geloofde dat een jager minder succes had in een naburig groepsgebied omdat hij in zijn eigen land kracht haalt uit de grond zelf.
Het verzamelen van vitale wilde planten voor voeding, medicijnen en weefmateriaal was het voorrecht van de vrouwen. Zij kenden hun land zo goed als de mannen hun jachtgebied en de kampen werden regelmatig verplaatst als de seizoenen veranderden en de vrouwen probeerden de nodige verschillende rijpende planten te oogsten. Jonge meisjes werden geleerd om vroeg op te staan, sterk en flink te zijn. Zij moesten hout aandragen en een voorraad fris water voorzien; ze moesten dierenvellen ontvlezen, looien, drogen en er kleding, zakken en repen van naaien; ze moesten manden weven en ze omvormen tot waterdragers met een bescherming voor het drogen en opslaan van voedsel; toezicht houden over het huis en de kinderen en de maaltijden klaarmaken. Zo werden zij ook ingelicht over de vitale kunst van het oogsten en bereiden van wilde planten.
De Apachen brachten de koude wintermaanden door in de steden op de dorre vlakten waar de koude niet zo extreem was. Als in maart de lente kwam trokken de leden van de lokale groepen terug de bergen in naar hun hoofdnederzetting. Hier richtten zij hun groepswoningen op: koepelvormige hutten bestaande uit katoenhouten palen die in een cirkelvormige greppel worden geplaatst, naar elkaar toe worden gebogen en samengebonden met yucavezels. Uitgenomen in periodes van wind en regen werd dit frame enkel gedeeltelijk bedekt met een dak van bussels gras, gebonden met yucavezels en doorgaans ook verschillende dierenhuiden. Dit was het typische onderkomen van de Apachen, het kon gemakkelijk worden opgebouwd en even gemakkelijk verlaten als ze op de vlucht moesten, de tipi werd meestal gebruikt op de vlakten.
Graafstokken braken de grond voor het planten van gewassen, waarschijnlijk bewaterd door grachten. De gewassen werden verzorgd door de jongeren en de ouderen, terwijl er een constant komen en gaan was van groepjes jagers en verzamelaars. De vrouwen van de uitgebreide families vormden een bestendige, ervaren verzamelaars eenheid, die dikwijls naar naburige gronden trokken voor een dag werk. Ook werden er grote trektochten georganiseerd die bestonden uit grote groepen jagers of verzamelaars, of een combinatie van de twee die voor enkele weken onderweg waren.
Na de langverwachte oogst van de eerste groene groenten, de smalbladige yuca, zochten groepen vrouwen naar yuca bloemen, pijlpunten, wilde ajuinen, cactusvruchten en verschillende bessen. De grootste trektocht had plaats in mei als de meerderheid van de vrouwen van de lokale groep, met alle mannelijke assistentie die zij konden krijgen, naar een gebied trokken dat rijk was aan de nieuwe hoogoprijzende, roodachtige naaldstengels van de mescal of agave, ook bekend onder de naam centurie plant. De mescalstengels werden afgesneden, tot moes gestampt en geroosterd, en de zware vlezige knollen werden uit de grond gepeuterd met puntige stokken.
De vrouwen werkten koortsachtig aan het vergaren van grote hoeveelheden van de 60 cm diameter mescalknollen, die ze stapelden in een grote roosterput die uit de harde droge grond werd gehakt. Hete stenen stoomden de knollen tot een pasta die onmiddellijk werd gegeten of tot platte koekjes geplet en in de zon gedroogd. De gedroogde mescalknollen werden naar huis gedragen door zwaar beladen paarden, in een uitgestrekte stoet, vergezeld door de zingende en kwetterende vrouwen. De mescal was héél voedzaam en kon oneindig worden bewaard en was een hoofdbestanddeel van het Apache dieet.
De zomer en herfst gaf hun wilde aardappelen en van een mengeling van eikels, bessen en bonen werden primitieve broden gemaakt; van gedroogde wilde kersen en frambozen maakten ze koekjes, jeneverbessen, aardbeien, pompelmoezen en zoete roze yuca vruchten; wilde tabak werd gesneden en gerookt.
In oktober werd het eigen graan geoogst en gegeten, bewaard of gebrouwen door de vrouwen in een licht granenbier, "tiswin" genoemd door de bleekgezichten. De late herfst was de beste jachtperiode terwijl vrouwen en kinderen grote aantallen eikels, noten en zaden opstapelden. Als de winter kwam, dit seizoen werd Ghost Face genoemd, zochten de Apachen onderdak in de laagland steden. Het vergaren werd dan grotendeels gestopt terwijl de strooptochten voor voedsel zorgden. Ingemaakt voedsel en een kleine hoeveelheid klein wild werd voor noodgevallen opgeslagen in geheime bergplaatsen die zich in verzegelde grotten bevonden en voorzagen de Apachen van voedsel tot de yuca terug de komst van de lente aankondigde.
De Apachen waren in hoge mate afhankelijk van de natuur. De stammen verplaatsten zich volgens een seizoensgebonden patroon dat veranderde naargelang de omgeving, zo had elke groep zijn eigen specialiteit naargelang wat het gebied voortbracht.
 

Mescal of agave plant

 

1 of 3

 

06/08/2001